Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
15 oktober 2001
Heilige Teresa van Avila


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

«In het verleden werd een grote achting betoond voor de ouderen. De Latijnse dichter Ovidius schreef hierover: «Groot was eens de eerbied voor het grijze hoofd.» En tegenwoordig?... Bij enkele volken wordt de ouderdom geacht en gewaardeerd; bij andere echter is dat minder vanwege een mentaliteit die het onmiddellijk nut en de productiviteit van de mens vooropstelt. Door zo'n houding wordt de zogenoemde derde of vierde leeftijd vaak geminacht en zijn de ouderen zelf vaak geneigd zich af te vragen of hun bestaan nog nuttig is. Men komt er zelfs toe om met groeiende aandrang de euthanasie voor te stellen als oplossing voor moeilijke situaties» (Johannes Paulus II, Brief aan de ouderen, 1 oktober 1999, n. 9).

Om aan die minachtende houding een halt toe te roepen is het nodig dat we de waarde van het leven van oude mensen opnieuw leren ontdekken. Daarvoor is het «dringend nodig het juiste perspectief te vinden om het leven in zijn geheel te beschouwen. En het correcte perspectief is dat van de eeuwigheid, waarop het leven in al zijn fasen een belangrijke voorbereiding is. Ook de ouderdom heeft een rol te spelen» (ibid., n. 10). Om dat te bewijzen heeft de Paus aan de Kerk en de wereld een overtuigend voorbeeld gegeven: op 3 oktober 1982 heeft hij Jeanne Jugan die de Heilige Geest had ontvangen «als een profetische intuïtie van de noden en de diepste verlangens van de oude mensen» zaligverklaard (Preek tijdens de mis t. g. v. de zaligverklaring).

Jeanne Jugan, geboren te Cancale (Bretagne) op 25 oktober 1792 wordt dezelfde dag gedoopt. Zij is het vijfde van zeven kinderen. Haar vader, zeeman zoals de meeste inwoners van Cancale, verdwijnt op zee in het jaar dat Jeanne vier wordt. De kleine Jeanne leert heel vroeg van haar moeder meewerken in het huishouden, de beesten hoeden en vooral bidden. Zoals menige andere kerk wordt die van Cancale door de Revolutie gesloten. Er bestaat geen georganiseerde catechismusles meer, maar veel kinderen worden in het geheim onderwezen door vrome mensen. In 1803 doet Jeanne haar Eerste Communie. Van die dag af wordt ze bijzonder gehoorzaam en zachtmoedig, altijd bereid de handen uit de mouwen te steken en ook het gebed wordt met grote ijver beoefend.

«Je zal geen betere partij vinden»

Eind 1816 vond in Cancale een grote «Missie» plaats: een twintigtal priesters verdeelden onder elkaar de preken, de catechismusles, het rozenhoedje, het biechthoren, de huisbezoeken enz. Het zijn dagen van genade en godsvrucht voor de hele parochie. Terwijl ze bidt voelt Jeanne in haar hart een groot verlangen opkomen om zich dienstbaar te maken aan de armen uit liefde tot God, zonder enige menselijke beloning te verwachten. Aan het einde van de Missie weigert ze definitief een huwelijksaanzoek te beantwoorden. Als haar moeder haar ondervraagt en wil weten waarom ze heeft geweigerd: «Je zal geen betere partij vinden», antwoordt Jeanne: «De goede God bewaart me voor een werk dat nog van de grond moet komen».

Het jaar daarop verlaat Jeanne Cancale en haar familie om Christus te dienen in de armen en in armoede met hen samen te leven. Ze begint als verpleegster in het Rosais ziekenhuis te Saint-Servan. Maar als ze daar een paar jaar heeft gewerkt wordt ze ernstig ziek. Door een liefdadige dame, juffrouw Lecoq, wordt ze in huis opgenomen. Twaalf jaar lang zullen ze met hun tweeën een gemeenschapelijk leven leiden waarin het dagrythme wordt bepaald door gebed, de dagelijkse Mis, het bezoeken van de armen en de catechismusles aan de kinderen. Na het overlijden van juffrouw Lecoq ontmoet Jeanne Françoise Aubert die hetzelfde levensideaal met haar deelt. Ze huren een woning en wijden zich aan de zorg voor de armen. Weldra voegt een meisje van zeventien jaar, Virginie Trédaniel, zich bij hen.

Op een avond ziet Jeanne er bezorgd uit als ze na een dag werken thuiskomt. Françoise houdt de soep in de gaten terwijl ze zich tegelijk met het spinrokken bezighoudt. Jeanne zegt tegen haar: «Ik heb zojuist iemand bezocht die diep te beklagen is... Stel je voor, een oude blinde vrouw, half verlamd, alleen in een krotwoning in de kou van deze eerste dagen van de winter!... Als je het goed vindt, Françoise, zouden we haar bij ons in huis kunnen nemen. Voor de extra kosten, zal ik meer gaan werken. – Zoals je wil, Jeanne». De blinde vrouw heet Anne Chauvin. De volgende dag reeds gaat Jeanne haar halen en legt haar in haar eigen bed. De ongelukkige vrouw maakt zich ongerust: «Hoe wilt u mij te eten geven? Waar gaat u zelf slapen als u mij uw bed geeft? – Maakt u zich geen zorgen», antwoordt Jeanne. Enige tijd later klopt een oude juffrouw, bibberend van de kou, verlegen aan de deur aan. Ze had lange tijd een berooid echtpaar gediend zonder loon te ontvangen. Bij hun dood bleef ze dakloos en zonder inkomsten achter. «Isabelle, zegt Jeanne tegen haar, u wordt gestuurd door de goede God. Blijft u bij ons». Weldra komt een vriendin van Virginie, Marie Jamet, kennis maken met Jeanne en haar huisgenoten. Op 15 oktober 1840 stichten de drie vriendinnen een kleine liefdadigheidsvereniging die wordt geleid door de eerwaarde Auguste Le Pailleur, kapelaan van Saint-Servan. Françoise Aubert wil hen wel helpen met zieken verzorgen en het verstellen van kleren, maar is van oordeel dat ze te oud is om meer dingen op zich te nemen. Anderzijds voegt een jonge, zeer zieke arbeidster van zevenentwintig jaar, Madeleine Bourges, zich bij de kleine groep. Zo is er rondom de twee bejaarde vrouwen een kleine cel ontstaan, het embryo van een grote congregatie die de «Kleine Zusters van de Armen» zal gaan heten.

«Met mijn mand...»

Weldra kloppen andere behoeftige bejaarden aan de deur met de vraag te worden opgenomen en de zusters verhuizen naar een ruimer onderkomen. De gulle gaven van vrienden en het inkomen dat de zusters uit hun arbeid putten zijn niet langer toereikend om het huis draaiende te houden. De goede oude vrouwen die gewoonlijk uit bedelen gingen, zeggen tegen Jeanne: «Vervang ons, collecteer in onze plaats». Een broeder van H. Johannes de Deo spoort de stichteres aan deze raad op te volgen en geeft haar haar eerste collectemand. De trotse Bretonse aard van Jeanne verzet zich tegen deze noodzaak, maar uiteindelijk legt ze zich erbij neer. «Jullie zullen worden uitgezonden om te collecteren, meisjes van mij, zal ze later tegen de novicen zeggen; dat zullen jullie niet gemakkelijk vinden. Ik heb het ook gedaan, met mijn collectemand; het kostte me grote moeite maar ik deed het voor de goede God en voor zijn armen». Dat is de oorsprong van de collecte welke de belangrijkste bron van inkomsten wordt van de Kleine Zusters van de Armen.

Tijdens haar rondgangen vraagt Jeanne niet alleen geld maar ook gaven in natura: groenten, gebruikte lakens, wol, ketels enz. Ze wordt niet altijd goed ontvangen. Op een dag belt ze aan bij een rijke, oude en gierige man; ze weet hem te overtuigen en ontvangt een royale gift. De dag daarop meldt de collectante zich wederom bij hem aan: deze keer wordt hij boos. «Mijn beste mijnheer, antwoordt ze hem, mijn armen hadden gisteren honger en vandaag hebben ze nog honger en morgen zullen ze nog altijd honger hebben...» Wanneer hij zijn kalmte heeft hervonden geeft de weldoener opnieuw en belooft het te blijven doen. Bij een andere gelegenheid krijgt ze van een geërgerde oude vrijgezel een oorvijg. Nederig zegt ze tegen hem: «Dank u; dat was dus voor mij. Geeft u mij nu iets voor mijn armen, alstublieft!» Voor zoveel zachtmoedigheid gaat de portemonnee van de oude vrijgezel wel open. Zo weet ze met een glimlach de rijken tot nadenken te brengen zodat ze de noden van de armen leren ontdekken. De collecte wordt zodoende een vorm van evangelisatie, een oproep tot ommekeer van het hart.

Ledigheid is Jeanne Jugan een doorn in het oog. Ze zegt altijd graag: «De Heilige Maagd was arm. Ze deed zoals de armen: ze verdeed geen tijd want de armen moeten altijd bezig zijn». Als ze de hand heeft weten leggen op spinrokkens, spinnewielen en haspels, stelt ze die ter hand aan de minst gebrekkigen onder haar pensionairs. Dezen zijn trots dat ze door hun werk de gemeenschappelijke beurs met een paar stuivers kunnen spekken en nemen zodoende met meer belangstelling deel aan het leven in het tehuis.

Langzaam maar zeker raken Jeanne en haar vriendinnen georganiseerd. Ze nemen eenzelfde mantelpak, nemen een religieuze naam aan – die van Jeanne is «Zuster Maria van het Kruis» – en leggen privé de geloften van gehoorzaamheid en zuiverheid af. Enige tijd later voegen ze daar die van armoede en gastvrijheid aan toe. Met die laatste gelofte wijden ze hun leven aan het verwelkomen van arme oude mensen. Eind 1843 wonen er zo'n veertigtal, mannen en vrouwen, bij de zusters. Op 8 december gaan ze over tot verkiezingen en wordt Jeanne gekozen tot Overste, met algemene stemmen. Maar op de 23e maakt de eerwaarde Le Pailleur deze verkiezing op eigen gezag ongeldig en wijst Marie Jamet aan als Overste, die pas 23 jaar is (Jeanne is 51). Hij vreest inderdaad dat hij de congregatie niet zal kunnen leiden naar eigen goeddunken als Jeanne, wier ervaring en bekendheid hem hinderen, Overste zou zijn. Jeanne kijkt het kruisbeeld aan de muur en vervolgens een beeldje van de H. Maagd aan en knielt neer voor haar vervangster om haar gehoorzaamheid te beloven. Haar rol zal voortaan die van collectante zijn.

Een wat minder geestkrachtige ziel zou zijn teruggedeinsd bij het vooruitzicht de leiding te verliezen over een huis dat naar eigen inzichten is georganisserd, om daarna bedelares te worden. «Naar mijn mening, verklaarde een Franciscaan, afkomstig uit Cancale, heeft mijn vererenswaardige streekgenote een belangrijke daad van deugdzaamheid gesteld, toen ze, na uit haar ambt van Overste te zijn gezet, een eenvoudige collectante werd, want de vrouwen uit Cancale zijn nogal onafhankelijk om niet te zeggen autoritair en delen liever bevelen uit dan dat ze gehoorzamen». Vanaf 24 december gaat Jeanne, ondanks de strenge vasten van de vigilie van Kerstmis, weer rond met de collectemand. «Wie zal ooit weten welke beproevingen en verdiensten er verbonden waren aan die collectes en alle angsten die ze daarbij moest uitstaan zonder het doel uit het oog te verliezen: de noden van de dag en die van de volgende dag te lenigen!» riep een spreker ooit uit. «Weer of geen weer, ze moest eropuit, hitte, koude en regen verduren, allerlei soorten mensen aanspreken, lange afstanden afleggen, zware lasten dragen!» Maar de ziel van Jeanne is «waarlijk gedompeld in het mysterie van Christus de Verlosser, met name in zijn Lijdensweg en zijn Kruis» (Johannes Paulus II, 3 oktober 1982).

Moeder of kind?

Doordat ze één met Christus is, aanvaardt Jeanne van harte de vernederingen en gaat zelfs zo ver dat ze die liefheeft en opzoekt. Er is er een die haar aangeboren trots misschien het meest op de proef stelt en dat is de manier waarop haar Overste haar laat weten hoe ze over bepaalde zaken denkt. In een brief van 26 januari 1846 schrijft Marie Jamet, zevenentwintig jaar jonger dan Jeanne: «Lief kind... Wat is God goed, dat Hij een arm meisje als jij zo goed onthaalt!... Let er wel op, mijn kind, dat je geen last bezorgt en mocht je toch, hoe weinig ook, hinderen, maak dan geen misbruik van de goedheid van deze voortreffelijke persoon... Ik raad je aan je ervoor te hoeden ook maar het geringste gevoel van eigenliefde op te vatten. Wees er wel van overtuigd dat wanneer we zo handelen ten aanzien van jou, het niet om jou gaat maar dat God het toelaat ten voordele van zijn armen. Wat jou aangaat, houd jezelf altijd voor wat je werkelijk bent, dat wil zeggen arm, zwak, ellendig en tot niets goeds in staat... Je Moeder, Marie Jamet». Jeanne ontvangt deze raadgevingen zachtmoedig en nederig.

Het liefdewerk breidt zich zozeer uit dat het noodzakelijk wordt de collectes steeds verder weg te houden. Jeanne wordt naar Rennes gezonden. Vanaf de eerste dag vallen haar de bedelaars op onder wie de oudsten dringend hulp behoeven. Het is overduidelijk dat er in deze stad een nieuw huis moet worden gesticht. Met de hulp van de H. Jozef wordt op 25 maart 1846 een huis aangekocht. Jeanne hervat haar collectes in het westen van het land. Er worden huizen geopend in Dinan, Tours, Parijs, Besançon, Nantes, Angers enz. Omdat ze ieders vertrouwen heeft gewonnen, redt Jeanne herhaalde malen het werk, waarvan de leiding haar was ontnomen, van de ondergang. Ze komt en krijgt het geld dat ontbreekt, bemoedigt deze en gene en verdwijnt vervolgens om ergens anders hulp te verlenen. Ze lijkt geen ogenblik rust te hebben, maar steunt volledig op de Voorzienigheid.

«Heilige Jozef, boter!»

Jeanne Jugan wil graag dat de oude mensen zich echt thuis voelen in de huizen waarin ze worden opgenomen. Op een dag constateert ze dat de ouden van dagen in het huis van Angers droog brood eten. «Dit is nog wel de streek van de boter, roept ze uit. Waarom vraagt u geen boter aan de H. Jozef?» Ze ontsteekt een lichtje voor een beeld van de voedstervader van Jezus, laat alle lege boterpotten aandragen en zet een bordje ervoor: «Goede H. Jozef, stuur ons boter voor onze oudjes!» Bezoekers verbazen of vermaken zich over zoveel naïviteit. Daarachter verbergt zich echter een diep geloof. Een paar dagen later laat een anonieme gever een zeer grote partij boter afleveren waarmee alle potten weer worden gevuld. Jeanne wil ook graag de armen vrolijkheid bezorgen. Zo gaat ze naar de kolonel die het bevel voert over een garnizoenseenheid in Angers en vraagt hem op een feestdag in de namiddag een paar muziekanten van het regiment te sturen om de oudjes wat op te vrolijken. «Zuster, ik stuur u het hele muziekcorps om u plezier te doen en uw dierbare oudjes vreugde te brengen». En de fanfare van Angers komt ook haar steentje bijdragen aan de algehele feestvreugde.

In mei 1852 keurt de aartbisschop van Rennes, waar het Moederhuis van de Zusters is gevestigd, officieel de statuten van het werk goed en geeft er de volgende naam aan: familie van de Kleine Zusters van de Armen. Door hulp te verlenen aan verlaten oude mensen onderstrepen de Zusters de onvervangbare waarde van het menselijk leven in de jaren van de ouderdom. Haar getuigenis krijgt een heel bijzondere betekenis voor onze tijd, waarin de technische en medische vooruitgang verlenging van de gemiddelde levensduur met zich meebrengt.

De achting ten aanzien van de ouderen is gebaseerd op de natuurwet die verwoord is in het gebod van God: Eert uw vader en uw moeder (Dt 5, 16). «De ouderen eren houdt een drieledige verplichting in: ze welkom heten, ze assisteren en een goed gebruik maken van hun kwaliteiten» (Johannes Paulus II, Brief aan de ouderen, n. 12). Bejaarden hebben behoefte aan hulp al naar gelang hun krachten afnemen en gebreken optreden, maar zij kunnen daarentegen heel nuttig zijn voor de samenleving. De wederwaardigheden die ze in het leven te verduren hebben gehad hebben hen verrijkt met een schat aan ervaring en ze zijn daardoor gerijpt om de gebeurtenissen op dit ondermaanse met meer wijsheid te beschouwen. Van hen kunnen de jongere generaties lessen in geschiedenis krijgen die hen zouden moeten helpen de fouten van het verleden niet te herhalen. Onze door haast en onrust overheerste samenleving vergeet zich de fundamentele vragen betreffende de roeping, de waardigheid en de bestemming van de mens te stellen. In dit kader zijn de affectieve, religieuze en morele waarden van de ouderen een onontbeerlijke hulpbron om de samenleving, de gezinnen en de individuen in evenwicht te houden. Tegenover het individualisme herinneren zij ons eraan dat niemand alleen moet leven en dat solidariteit van de generaties onderling noodzakelijk is en dat ieder zich kan verrijken met de gaven van de ander.

Missionarissen op hoge leeftijd

Ouderen krijgen ook een evangelisatietaak toebedeeld: in heel wat gezinnen ontvangen de kleinkinderen van de grootouders onderricht in de eerste beginselen van het geloof. De ouden van dagen, zelfs de ziekste of zij die zich niet meer kunnen bewegen kunnen de Kerk en de wereld nog altijd een dienst bewijzen met hun gebed. Daardoor nemen ze even goed deel aan het leed als ook aan de vreugde van de anderen; ze verbreken de cirkel van het isolement en de onmacht. Door kracht te putten uit hun gebed, zijn ze in staat nieuwe moed te geven, door het getuigenis van lijden dat wordt gedragen in geduldige overgave aan God.

Oude mensen krijgen de kans in hun vlees en in hun hart hetgeen ontbreekt aan het Lijden van Christus aan te vullen (vgl. Kol 1, 24), door de beproeving van ziekte en leed – hun gemeenschappelijk lot – op te dragen ten bate van de Kerk en de wereld. Om zich met deze missie te belasten is het wel nodig dat zij het gevoel hebben te worden bemind en geëerd want nederig het leed aanvaarden is niet gemakkelijk. Mensen die worden beproefd door groot leed zijn soms geneigd zich over te geven aan verbittering en wanhoop. Hun naasten kunnen dan door een verkeerd begrepen medelijden overhellen naar het idee dat rechtstreekse bewerkstelliging van de dood (euthanasie) redelijk zou zijn. Maar, «ondanks de intenties en de omstandigheden, houdt euthanasie een intrinsiek slechte daad, een verkrachting van de goddelijke wet, een belediging van de waardigheid van de menselijke persoon in» (Johannes Paulus II, Brief aan de ouderen, n. 9; vgl. encycliek Evangelium vitae, n. 65). God alleen bepaalt het begin en het einde van het menselijk leven, volgens zíjn scheppingsplan en Hij roept ieder mens op om zijn kind te worden door deelname aan zijn goddelijk leven. Deze unieke waardigheid komt van Christus, die door de Menswording «zich in zekere zin heeft verenigd met iedere mens» (Vaticanum II, Gaudium et spes, n. 22); die waardigheid moet dus worden geëerbiedigd. Dit is de belangrijkste beweegreden van de toewijding waarmee de Kleine Zusters van de Armen voor de oude mensen zorgen, in wie Jeanne Jugan hun geleerd heeft Jezus Christus te zien.

«Het is u van harte gegund!»

Na Christus te hebben gediend met haar collectes, begint de Zalige in stilte aan haar laatste levensdagen. In de loop van het jaar 1852 verordent de eerwaarde Le Pailleur haar inderdaad zich uit het Moederhuis terug te trekken. Voortaan zal ze geen betrekkingen met de weldoeners meer onderhouden noch enige aanzienlijke functie in de congregatie vervullen. Ze zal nog zevenentwintig jaar leven, verborgen voor het oog van de wereld, nederige huishoudelijke taken uitvoerend zonder wat dan ook terug te eisen. Doordat ze haar situatie zeer lucide onder ogen ziet, behoudt ze een hart dat vrij genoeg is om al schertsend tegen de eerwaarde Le Pailleur te zegen: «U heeft me mijn werk ontstolen; maar het is u van harte gegund!» In de lente van 1856 gaat het Moederhuis van de Kleine Zusters over naar een groot domein dat ze op vijfendertig kilometer van Rennes hebben aangekocht: La Tour Saint-Joseph. Daar staat Jeanne de novicen bij met haar geestelijke raadgevingen. Wanneer zij het moeilijk hebben zegt ze: «Ga naar Jezus wanneer je geduld en je kracht je in de steek dreigen te laten, wanneer je je eenzaam en machteloos voelt; Hij wacht op je in de kapel. Zeg tegen Hem: «U weet precies wat er aan de hand is, goede Jezus, U bent de enige die ik heb, die alles weet. Kom mij te hulp». En ga dan weer, en vraag je niet bezorgd af hoe je moet gaan handelen; als je het maar tegen de goede God hebt gezegd, meer hoef je niet te doen. Hij heeft een goed geheugen».

Ze drukt de novicen op het hart vooral met devotiegebeden niet te overdrijven: « Jullie oudjes zijn het gauw moe, ze zullen zich vervelen en opstappen om te gaan roken... zelfs tijdens het rozenkransgebed!» Ze laat de jongeren in haar ervaring delen: «Meisjes, jullie moeten altijd opgewekt zijn; onze oudjes zien niet graag droeve gezichten!... Laat niets jullie te veel zijn als jullie voor hen moeten koken of hen moeten verplegen als ze ziek zijn. Wees als een moeder voor hen die erkentelijk zijn en voor hen die voor alles wat jullie voor hen doen geen blijk van erkentelijkheid kunnen geven. Zeg bij jezelf: «Het is voor u, mijn Jezus!» En ook: «Bid en bezin voor je begint. Dat heb ik mijn leven lang gedaan. Ik wikte en woog ieder woord».

In de laatste jaren van haar leven sprak Jeanne vaak, in alle rust, over haar dood. Maar voor ze heen ging heeft ze een laatste vreugde gekend. Op 1 maart 1879 verleent Leo XIII de definitieve goedkeuring van de constituties van de Kleine Zusters van de Armen. De congregatie telt dan ongeveer 2400 zusters en 177 opvanghuizen. Op 29 augustus van dat jaar sterft Jeanne zacht na haar laatste woorden: «O, Maria, goede Moeder, kom naar mij. U weet dat ik van u houd en ernaar verlang u te zien!» Zo'n nederig leven moest wel veel vruchten dragen. Op de drempel van het derde millennium bestieren 3460 Kleine Zusters 221 tehuizen, verspreid over de vijf werelddelen. De wonderbaarlijke Voorzienigheid is zo attent ervoor te zorgen dat de zusters nog altijd voornamelijk van giften leven.

Toen Jeanne Jugan werd zaligverklaard zei Paus Johannes Paulus II: «De gehele Kerk en ook de maatschappij zelf kunnen niet anders dan met bewondering en applaus de wonderbare groei aanschouwen van dat minuscule evangelische zaadje dat ooit in de Bretonse aarde is geworpen door de allernederigste zuster uit Cancale, zo arm aan aardse goederen, maar zo rijk aan geloof!... Et exaltavit humiles (Hij verheft de nederigen). Deze welbekende woorden uit het Magnificat vervullen mijn geest en mijn hart met vreugde en ontroering... Aandachtige lezing van de aan Jeanne Jugan en het epos van haar evangelische liefdadigheid gewijde biografieën maken mij geneigd te zeggen dat God geen nederigere dienares kon verheerlijken... Door herhaaldelijk de Kleine Zusters op het hart te drukken: «Wees klein, heel klein! Bewaar de geest van nederigheid en van eenvoud! Als we ooit denken dat we iets zijn, bewijzen we de Goede God geen eer meer en komen we ten val», droeg Jeanne in feite haar eigen spirituele ervaring uit... In de wereld van vandaag en helaas soms ook in de Kerk, worden we regelmatig geconfronteerd met trots, efficiencyverbetering en de verleiding van machtsmiddelen. Ze staan de komst van het rijk Gods in de weg. Daarom is de wijze waarop Jeanne Jugan vorm heeft gegeven aan haar spiritualiteit zo aantrekkelijk voor volgelingen van Christus en vervult zij hun harten van hoop en evangelische vreugde die ze uit God en uit hun zelfverloochening hebben geput».

Zalige Jeanne Jugan, gij die «een teken van de aanwezigheid van God in de geschiedenis bent geweest» (Johannes Paulus II), leer ons onze naaste nederig te dienen uit liefde voor Jezus Christus.

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques