Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
8 augustus 2001
H. Dominicus


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

In 1907 verscheen in Parijs een boek met de suggestieve titel: Van de duivel tot God. De schrijver ervan, Adolphe Retté, doet hierin verslag van zijn bekering tot het katholicisme. Het werk kende een groot succes en droeg bij tot de bekering van talrijke zielen die er verheldering van en bemoediging bij hun eigen geestelijke worsteling in vonden.

Adolphe Retté, geboren te Parijs op 25 juli 1863, kent in zijn jeugd niet de vreugde van een huisgezin. Zijn vader woont in Rusland waar hij werkt als huisleraar van de kinderen van een groothertog. Zijn moeder musiceert en wordt geheel in beslag genomen door haar kunst en houdt zich met haar zoon bezig als ze de bevlieging heeft om op hem tegenstrijdige opvoedingsmethoden uit te proberen. Het kind ontvangt het doopsel op aandringen van zijn vrome, praktizerend katholieke grootmoeder. Zijn grootvader, rector van de universiteit van Luik en verwoed tegenstander van de geestelijkheid, verzet zich tegen iedere vorm van geestelijk onderricht.

Adolphe is een dromerig kind, licht vatbaar voor indrukken, verzot op lezen en dan reeds liefhebber van de eenzaamheid. Op veertienjarige leeftijd wordt hij op kostschool gedaan. Zijn vader eist dat hij de diensten van de protestantse kerk bijwoont: de jongeman houdt er slechts een vaag geloof in God aan over en een weerzin van het christendom. Als hij achttien is, neemt hij dienst in het leger. Dankzij het militaire leven leert hij zijn heerszuchtige aard in te tomen, maar daarnaast vervalt hij tot ontucht. Wanneer een vriend hem voorstelt: «Laten we gaan feestvieren», roept hij uit: «Niet gaan, maar snellen!» Eenmaal uit de militaire dienst begint hij aan een letterkundige loopbaan. De natuur, vooral het bos, wekt zijn geestdrift en aanvankelijk richt hij zich op het pantheïsme (stelsel volgens hetwelk God en de wereld identiek zijn).

Verspild spaargeld

In 1894 wordt hij verliefd op een goedaardig rechtschapen meisje aan wie hij een zuiver burgerlijke verbintenis oplegt, in de veronderstelling dat het huichelachtig zou zijn om de zegen te vragen van een Kerk waarin hij niet geloofde. Ondanks de liefde die hij zijn levensgezellin toedraagt, is Adolphe een gewelddadige en ontrouwe echtgenoot. Het lukt zijn vrouw op een dag wat spaargeld te vergaren met de bedoeling er een paar boeken die hij graag wil hebben en een jurk die ze zelf nodig heeft voor te kopen. Zodra hij het hoort, eist hij dat ze hem het geld overhandigt. Wanneer ze weigert , rukt hij het haar ruw uit de handen en gaat het verkwisten met een vrouw van lichte zeden. Mevrouw Retté wordt het slachtoffer van meer van dat soort streken en komt vroegtijdig te overlijden. Adolphe gaat dan samenwonen met een vrouw zonder moraal die hun magere inkomsten verkwanselt en voortdurend ruzie maakt en scheldt. Enkel door de macht die deze vrouw uitoefent op Retté's geperverteerde zinnen maakt dat hij bij haar blijft, met steeds grotere droefheid en walging, maar te laf om te breken.

«Ik zou het me voor eeuwig hebben verweten»

Als hij atheïst is geworden is hij nog maar van één gedachte vervuld: het neerhalen van de Kerk. Op een avond in Fontainebleau roemt hij tegenover een dertigtal arbeiders de vooruitgang die de alles verklarende wetenschap heeft geboekt: «Oorlog aan de priesters, oorlog aan de kapitalisten!» roept hij uit. Na afloop wachtten vier toehoorders hem op en een van hen, een tuinman, vraagt hem: «Wij weten wel dat er geen God is. Maar als de wereld door niemand is geschapen, zouden wij wel eens willen weten hoe «alles» is begonnen? De wetenschap moet daar iets van af weten…» Retté had zijn vraagsteller kunnen bedelven onder een vloed van ondoorgrondelijke woorden. Maar de goedgelovigheid van die arme mensen roert hem. «Ik zou het me voor eeuwig hebben verweten als ik ze bedrogen had», schrijft hij. «Wel? Hervat de tuinman. Wel, zei ik, door de waarheid gedreven, de wetenschap kan niet verklaren hoe de wereld is begonnen». De vraag blijft echter in Adolphe's hoofd nagalmen. «Wie heeft de wereld gemaakt?» De nacht daarop kan hij de slaap niet vatten en 's morgens zegt hij bij zichzelf: «En wat, als God nu wel eens bestond?» Een eeuw na deze bekentenis van onmacht van Retté heeft de wetenschap grote vooruitgang geboekt voor wat de kennis van het heelal betreft; maar hoe meer ze vooruitgang boekt, des te lastiger oplosbaar zijn de problemen die zij tegenkomt en zij kan nog altijd niet antwoorden op de vraag van de eenvoudige tuinier.

Voor Adolphe breekt dan een periode van weifelingen aan, op zoek naar een overtuiging die de onrust in zijn hart tot bedaren kan brengen. In zijn jeugd reeds was hij gecharmeerd geraakt van het anarchisme: «Laten we alles over boord werpen, God, gezin, eigendom, wetten, tradities. Dan zullen de mensen in elkaars armen vallen en, alle goederen van deze aarde met elkaar delend al naar gelang ieders behoefte, zal het leven een eeuwigdurend feest zijn en zullen de mensen vrij en saamhorig zijn!»

Maar na enig nadenken schrijft hij: «Hij die het geloof niet bezit kan zich maar heel even aangetrokken voelen tot de edelmoedige kanten en de poëtische illusies van de anarchistische leer… Maar spoedig reeds moet men constateren dat de maatschappij die de anarchisten zich wensen slechts zou kunnen bestaan indien het mogelijk was alle menselijke vermogens in voortdurend onderling evenwicht te handhaven». Welnu, uit ervaring weet hij hoe moeilijk het is weerstand te bieden aan de slavernij van de toorn, de ontucht en de hoogmoed. Hij staat enige tijd dicht bij Clémenceau en de Radicalen wier hartstochtelijke afkeer van godsdienst hij deelt. In deze periode van zijn leven is zijn godslasterlijk gedrag het sterkst. Een duistere vreugde beleeft hij aan het belachelijk maken van het leven van Jezus, die hij steevast de «Galileeër» noemt. Schijnbaar ongerijmd is de diep in zichzelf gevoelde verontwaardiging over de vervolging van de religieuze congregaties, de uitzettingen en alle andere beledigingen die de Kerk worden aangedaan. Maar zijn afkeer van het christendom is zo groot dat hij niet voor zijn ware gevoelens wil uitkomen. Per slot van rekening trekt hij zich teleurgesteld in de eenzaamheid terug. In zijn geliefde bos van Fontainebleau vindt hij eniger mate rust. Thuis betoont hij zich somber, naargeestig en rusteloos: de vrouw waarmee hij samenleeft kan hem niet meer uitstaan vanwege zijn leugens die hij opdist louter om het genoegen van het liegen zelf en vanwege zijn onophoudelijke zoeken naar ruzie. Wanneer hij van tijd tot tijd zijn ziel beziet, vindt hij haar even vuil als de uitmonding van een riool. Hij voelt de behoefte aan een verheven ideaal. Hij wendt zich tot Kant; maar de moraal van deze wijsgeer stelt hem teleur. Hij neemt ook een kijkje bij het boeddhisme: het vooruitzicht van een nirvana waarin de persoonlijkheid verloren gaat en de ascese die nodig is om zo ver te komen maken dat hij weldra de boeken dichtslaat.

«Wat een geluk zou het zijn als God echt bestond!»

Op een dag in juni 1905, als hij in de verzen van Dante leest over de blijdschap van de zielen in het Vagevuur, die er zeker van zijn tot het Paradijs te zullen worden toegelaten als ze hun rechtvaardige boete hebben gedaan, wordt hij door een schitterend innerlijk licht getroffen; hij ziet dan zijn zonden als padden in de modder van zijn hart; hij wordt geheel doordrongen van een zekere wroeging en tegelijkertijd van een onuitsprekelijke vreugde. «Wat? zegt hij bij zichzelf, zou de katholieke godsdienst gelijk hebben als ze beweert dat een zondaar die zich bekeert en met blijdschap de penitentie aanvaardt voor de begane zonden, de Hemel weer waardig wordt? Zouden mijn zonden uitgewist en ikzelf gered kunnen worden? Maar dan… Dan zou God dus toch bestaan! Wat een geluk zou het zijn als God echt bestond!» Maar onmiddellijk daarop verheft zich in hem een verraderlijke stem die hem influistert: «Het zijn allemaal mooie praatjes. Je weet verdomd goed dat de katholieke Kerk slechts een wormstekige instelling is!…» Hij keert weer naar huis. Zijn vrouw is in de stemming voor ruzie maar hij antwoordt nergens op. Zij is met stomheid geslagen! Het lijkt wel of Adolphe, door de genade geraakt, van houding gaat veranderen. Diezelfde middag van dezelfde dag echter maakt een vriend hem deelgenoot van de godsdienstige vragen die hem bezighouden en reageert Retté slechts met spot ten aanzien van de katholieke godsdienst, haalt de Heilige Maagd neer in weerzinwekkende bewoordingen die de pen niet durft te herhalen. Even later realiseert hij zich met schrik dat hij tegen zijn geweten in gesproken heeft onder invloed van een kwade geest; hij durft echter tegenover zijn vriend zijn oordeel niet te herzien.

De volgende dag laat hij alle misvattingen waaraan hij geloof had gehecht de revue passeren. De ene na de andere blijkt niet meer staande te houden en dan roept hij uit: «Wat blijft me nog over?» Een innerlijke stem antwoordt hem: «God». Hij leunt tegen de rug van een eik aan en zet zijn overdenking voort: «Waarom zijn wij op de wereld gezet? Honderd godsdiensten hebben op deze vraag een antwoord proberen te vinden. Deze liepen uiteen naar gelang de omstandigheden en vooral naar gelang de grillen van de menselijke geest. Te midden van deze voortdurende wisselvalligheid blijft de katholieke Kerk onwankelbaar overeind. En dat gaat nu al negentien eeuwen zo. . . Dus, als de Kerk nooit is veranderd, moet de oorzaak van haar eenheid en haar standvastigheid meer dan van menselijke aard zijn, aangezien de mensheid aan zichzelve overgeleverd alleen maar veranderlijk is. Daarenboven zijn de voorschriften van haar moraal alleen maar heilzaam en het staat buiten kijf dat we er alleen maar baat bij hebben die ook toe te passen. De Kerk heeft de troost en heil biedende waarheid in pacht… dus God bestaat…!» Terwijl hij op zijn knieën valt, voor de eerste maal sinds zijn vijftiende, bidt Adolphe: «Mijn God, aangezien U bestaat, kom mij te hulp!»

«Ik begon tot God te bidden bij iedere gelegenheid dat ik geestelijk gekweld werd en ook wanneer ik materiële zorgen had, schrijft hij. En ik verzeker jullie dat het nooit is voorgekomen dat ik niet werd verhoord. Niet altijd op de manier die ik had gedacht, maar altijd had ik er de grootste baat bij».

«De vrije wil bestaat…»

Voor christenen is het soms al moeilijk om in staat van genade te blijven en de bekoringen af te wijzen, laat staan voor een man die nog maar aan het begin is van zijn bekering, zonder sacrament van de biecht, noch dat van de eucharistie! Adolphe ervaart het aan den lijve tijdens zijn geestelijke strijd die steeds intenser wordt. Hij ontwaart in zijn ziel drie soorten gedachten. De eerste soort is hem eigen: het zijn de «overdenkingen waarbij men met zichzelf praat, waarbij men de voors en de tegens afweegt alvorens een beslissing te nemen, waarbij men gevoelens en gewaarwordingen analyseert…» Maar hij wordt zich ook, zonder iets met zijn oren te horen, gewaar van de innerlijke «stemmen», «die maken dat je je getroost of bedroefd voelt, al naar gelang de stem die van de goede of de kwade geest is… Geen enkele theorie van menselijke makelij voldoet ter verklaring van dit verschijnsel… Oh! Wat besef je dan goed dat de vrije wil werkelijk bestaat. De ziel die aan dit conflict ten prooi is gevallen blijft immers geheel eigen baas en beslist zelf of zij zich aan de ene of de andere strijdende partij onderwerpt».

De inblazingen van de duivel brengen in de ziel duisternis en vertroebeling teweeg, zijn de oorzaak van allerlei beroering en bekoringen die haar wantrouwend maken, laten haar achter zonder hoop, zonder liefde, bedroefd, lusteloos en lauw en als van haar Schepper en Heer afgesneden (cf. Geestelijke oefeningen van de H. Ignatius, n. 317). De duivel blaast Adolphe in: « Als God toestaat dat jij in verlatenheid wordt ingemetseld, is dat om goed te laten zien dat jij van Hem niets meer te verwachten hebt… Zondaars van jouw formaat kunnen zich niet meer afkopen… Hervat je gewoontes… God wijst je immers toch af en je leven is nu eenmaal een niet aflatende kwelling geworden, het beste wat je nu nog te doen staat is vluchten in de dood. Wees daarom een man; geef toe dat voor jou alles is afgelopen: spring in het zwarte gat…. » Daarentegen vindt hij troost bij zijn goede engel die hem moed schenkt en kracht en hem goede ingevingen bezorgt (cf. Ibid. 315): «Gods barmhartigheid is oneindig jegens degene die berouw heeft. Hoop en bid… aanvaard met volharding deze beproeving, zij is nodig… Ga, verneder jezelf, vrees niets, je zult verhoord worden». Onder deze weldoende invloed vindt Rettë zijn zelfvertrouwen terug: «Op die momenten maakte zich een innige vrede meester van mij; ik dacht op een allerzoetste wijze aan God en ik begon te bidden».

«Ik kan niet, ik ben bang…»

Tijdens een wandeling in het bos van Fontainebleau ziet hij op de top van de rots van Cornebiche een kleine bidkapel met daar bovenop een beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Genade. Hij twijfelt geen moment en begint de rots op te klauteren en smeekt Maria: «Oh, u, die ik nog niet heb ingeroepen, bidt uw goddelijke Zoon mij in te geven wat ik moet doen». Een allerzoetste stem antwoordt hem diep in zijn hart: «Ga een priester zoeken. Biecht, treed toe tot de Kerk». Bij dat vooruitzicht begint hij te steigeren: «Ik kan niet, ik ben bang me zomaar over te leveren».

Rond die tijd scheidt Adolphe van zijn levensgezellin. Maar weldra gaat de duivel met geweld in de aanval en, om hem tot wanhoop te drijven, brengt hij hem de vele boeken en artikelen in herinnering waarin hij kwistig zijn godslasterlijke praat verkondigde. Op een avond gaat Adolphe, uitgeput van de aanvallen van deze kwade geest, naar bed, maar kan de slaap niet vatten. Een nieuwe felle strijd tegen de duivel doet hem baden in het zweet. «Opeens, zal hij later schrijven, hoorde ik, ja ik hoorde het, dat verklaar ik bij mijn eeuwig heil – ik hoorde de hemelse en wel bekende stem die me toeriep: «God! Daar is God!» Door de genade getroffen als door de bliksem, viel ik op mijn knieën en in dezelfde minuut dacht ik in mijn binnenste het beeld te zien van Onze-Lieve-Heer Jezus Christus, aan het kruis die naar me glimlachte met een uitdrukking van een onuitsprekelijke barmhartigheid op het gelaat. Mijn ziel werd vervuld van een diepe rust… Ik zat daar maar, verrukt, stomverbaasd, overlopend van dankbaarheid en herhaalde onophoudelijk: «Dank, mijn God, u hebt me gered!»» De volgende dag keert hij in alle vroegte terug naar het beeld van de Heilige Maagd om haar te bedanken.

Een vertroostende glimlach

Kort daarna gaat hij naar Parijs en vraagt aan een van zijn vrienden, de dichter François Coppé, het adres van een priester te geven, «want, zegt hij, ik kan het alleen niet meer af. Ik heb steun nodig van iemand…» Met grote vreugde stuurt Coppé hem naar een kapelaan van de parochie van Saint Sulpice die hem diezelfde dag ontvangt: «De eenvoud waarmee hij me ontving wekte onmiddellijk mijn vertrouwen, schrijft Adolphe, zodat het me geheel niet meer moeilijk viel hem mijn leven uit de doeken te doen… Vervolgens vroeg ik hem in angstige afwachting: «Denkt u, meneer kapelaan, dat ik nu gered zal worden?» Op zijn gezicht verscheen een welwillende glimlach : «Beste vriend, zei hij, de zaak is voor drie kwart beklonken. U hebt berouw getoond; u hebt tranen van bloed geschreid om uw zonden. Weest u ervan verzekerd dat ze u Daarboven hebben gehoord. Ik hoef u alleen nog maar in te wijden in de kernwaarheden van onze heilige godsdient. Over een paar dagen doet u uw algemene biecht en gaat u te communie. En u zult zien dat alles dik in orde komt». Ik stond versteld want ik was ervan overtuigd dat er maanden over heen zouden gaan voor ik waardig zou worden bevonden voor de sacramenten». Waarna de kapelaan besluit met: «Zegt u dank aan de Heilige Maagd».

De priester geeft hem een catechismus met het verzoek op de eerste plaats de artikelen van geloof, hoop en liefde, het «Onze Vader», het «Weesgegroet», het «Credo» te leren waarna hij vraagt: Kunt u het kruisteken maken? – Helaas niet. – Ik zal het u leren… Als het onderhoud is beëindigd, stuurt de kapelaan zijn biechteling naar huis: «Gaat u in vrede, mijn zoon. Vertrouwen en gebed, daar komt het op aan». Dromerig en zeer gelukkig gestemd is Adolphe over de goede keuze die hij heeft gemaakt. «Wie had mij kunnen zeggen, dacht ik, dat het zo gemakkelijk zou zijn. ? Ik bewonderde ook de goedheid van de Voorzienigheid die me had geleid, me als het ware bij de hand had genomen, naar de priester die ik nodig had… Toen ik naar bed ging besloot ik dat ik me alleen nog maar hoefde te laten leiden… Oef, wat een bevrijding!… O, Moeder van mijn God, ik geef me volledig in uw handen over… Nadat ik het kruisteken had gemaakt viel ik in een vredige slaap, die ik al zovele dagen niet meer had gekend».

Zonden plukken

De dagen daarop brengt Adolphe door met het bestuderen van de catechismus en maakt de balans van zijn zonden op en schrikt van de hoeveelheid en ernst ervan, maar is tegelijk gerustgesteld bij de gedachte dat hij weldra van zijn smetten zal worden gereinigd. Met ijver leest hij de hoofdstukken van het Evangelie waarin het Lijdensverhaal van Jezus Christus wordt verteld en waarbij wordt verwezen naar diens vurige daden van liefde. «Ik voelde me doordrongen van een allerheilzaamst berouw. Het was een mengeling van schaamte vanwege mijn zonden en van hartverscheurende spijt omdat ik zovele jaren lang had meegedaan aan het kruisigen van het Lam Gods».

Op de vastgestelde dag voor zijn biecht meldt Adolphe zich bij de kapelaan die hem had voorbereid. «Naar mate ik vorderde met het bekennen van mijn zonden, schrijft hij, kwam het me voor alsof Onze-Lieve-Heer zelf aanwezig was. Het leek alsof hij met een strelende en tegelijk gebiedende hand mijn zonden uit mijn ziel plukte en ze in stof deed opgaan voor zijn aanbiddelijke voeten. Tegelijkertijd voelde ik hoe mijn arme ziel, zo diep gebukt onder de last van het kwaad zich beetje bij beetje weer oprichtte en tenslotte volledig overeind kwam om vervolgens over te lopen van liefde en dankbaarheid. Toen ik klaar was, toen de kapelaan boven mijn hoofd de sublieme formule van de absolutie had uitgesproken, stond ik weer op. Geheel in tranen stortte ik me in zijn open armen. We waren allebei bepaald even geroerd… We spraken vervolgens enige minuten met elkaar en toen trok ik me terug… Heel blij liep ik de straat op. Ik zei bij mezelf: «Ik ben vergeven, wat een geluk!» Het leek alsof ik tien jaar jonger was geworden… De volgende ochtend bereidde ik me voor op de communie… Een vredige vreugde doorstroomde me en vol bewondering realiseerde ik me welke obstakels er allemaal uit de weg waren geruimd… Naar mate het moment van de communie dichterbij kwam, voelde ik me alsof ik werd opgetild door een onstuimig verlangen om te aanbidden… De verfijnste genoegens van de zinnen niet, noch de cerebrale roes die kunst en poëzie ons kunnen bieden komen in de buurt van deze extase waarbij de ziel die zich met God verenigt geheel versmelt. Tijdens mijn dankgebed smaakte ik volledig het genoegen van de stralende vrede die in me heerste». Het is nu 1926; Adolphe is 43 jaar.

God tonen

Iedere bekering is een uniek verhaal. In Retté's geval had de heerschappij van het kwaad dergelijke proporties aangenomen dat het bijna niet meer omkeerbaar leek te zijn. Zijn voorbeeld is een buitengewoon bewijs van de oneindige barmhartigheid van God en van de almacht van zijn genade. Het toont het universele karakter aan van de Verlossing van Christus bij wie wij allen, zelfs de grootste zondaars, heil en vrede kunnen vinden. De H. Benedictus spoort ons aan nooit «aan Gods barmhartigheid te wanhopen… omdat de Heer in zijn goedheid zegt: Zou Ik soms behagen scheppen in de dood van de zondaar, ... en niet veel liever zien dat hij zijn leven betert en in leven blijft? (Ez l8, 23)» (Regel, hfdst. 4 en Proloog). De weg die Adolphe Retté heeft afgelegd leidde hem van het onechte naar het ware, van de zonde naar de staat van genade, van de godslastering naar het gebed.

Enige tijd na zijn eerste communie, trekt Adolphe zich terug in de eenzaamheid en verdeelde zijn tijd tussen bidden en het redigeren van zijn boek Van de duivel tot God, het begin van een nieuwe activiteit die hij definiëert als volgt: «God tonen aan mijn tijdgenoten». Van 1907 tot aan zijn dood in 1930, schrijft hij een twintigtal delen waarin hij zijn lezers uitnodigt te leven onder de blik van God, in gulhartige vereniging met Christus in zijn Lijden. Hij zelf put zijn kracht uit Jezus-Hostie: «Heilige Eucharistie, wat zijn ze te beklagen, de onwetenden en de verdwaalden die uw deugden miskenden! schrijft hij . Ik voor mij weet dat u de bron bent van alle goed, de fontein van de hoop en de kracht waar de ziel in dagen van droefheid en ontmoediging weer kracht en vreugde vindt ». Om uiting te geven aan zijn liefde voor de Heilige Maagd en zijn gehechtheid aan de Kerk vindt hij eenvoudige woorden die het hart raken. Zijn werken bezorgen hem bergen brieven. Onder zijn invloed hervat zijn eigen moeder die in overschilligheid leefde de godsdienstige praktijk; verscheidene artsen, leraren in het openbaar onderwijs en allerlei andere mensen vinden de weg naar de Hemel weer terug. Hij maakt lauwe christenen weer vurig en wekt roepingen op. Zijn bekering is alles behalve een persoonlijke aangelegenheid, maar draagt een apostolisch karakter. Het is maar al te waar dat ons eigen heil tot stand komt terwijl we juist aan dat van anderen werken.

Na een dergelijk gekweld leven, echter, is een gestage inspanning ter versterving een eerste vereiste en een noodzaak om trouw te kunnen zijn aan het Evangelie. Adolphe blijft zwak en gaat nog onder heel wat leed gebukt. «Op eenenzestigjarige leeftijd, schrijft hij in l924, ben ik een versleten man die, na veel te hebben geleden en keihard te hebben gewerkt, begint te wankelen. Daarenboven betaal ik de gerechte prijs voor de excessen uit mijn dwaze jeugd». Hij had zich graag willen terugtrekken in een klooster om er zijn levensdagen te beëindigen, maar dat was niet de wil van God.

Hij sterft in Beaune op 8 december 1930, op de feestdag van de Onbevlekte Ontvangenis van de Allerheiligste Maagd Maria. Zijn grafsteen draagt de inscriptie: In te Domini speravi… Op U, Heer, is al mijn hoop gevestigd… Daarin is hij niet teleurgesteld. Wij vragen aan de H. Jozef dat een dergelijke hoop ons tot steun moge zijn op de woelige baren van dit leven, tot in de haven van de zalige eeuwigheid.

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques