Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
31 mei 2001
Maria Bezoek


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

Tegen het eind van het jaar 1841 onderbreekt, te Rome, een jonge joodse bankier uit een voorname Straatsburgse familie, Alfons Ratisbonne genaamd, zijn reis naar het nabije Oosten. In godsdienstig opzicht staat hij zeer vijandig tegenover de katholieke Kerk, vooral sinds zijn broer, Theodorus, zich tot het katholicisme heeft bekeerd en priester is geworden. Hij gaat in de Heilige Stad naar een vriend, Gustave de Bussière. Omdat deze afwezig is wordt hij ontvangen door diens broer, Theodorus de Bussière, een vurige katholiek. In de loop van de conversatie laat Alfons de vrije loop aan zijn vijandigheid jegens het katholiek geloof en verklaart hoezeer en onwankelbaar hij is gehecht aan het joods geloof. Door een ingeving van de genade biedt de heer de Bussière hem een wonderdadige medaille aan en zegt: «Belooft u mij dit cadeautje, dat u alstublieft niet zult weigeren, altijd bij u zult dragen». Alfons aanvaardt het uit beleefdheid.

Enkele dagen later begeven beide vrienden zich, op 20 januari 1842, naar de H. Andreas delle Frate kerk. Meneer de Bussière laat Alfons een ogenblik alleen om zich met een priester te onderhouden. Wanneer hij terugkomt treft hij de jongeman aan, in de kapel van de H. Michael, neergeknield en diep in gebed verzonken. Even later keert Alfons hem zijn van tranen overgoten gelaat toe. «Ik was al even in de kerk, zal hij later vertellen, toen ik me plotseling voelde gegrepen door een onnoembare ontroering. Ik keek naar boven; het hele gebouw had zich aan mijn gezichtsveld onttrokken; al het licht had zich als het ware geconcentreerd in één kapel en in het midden van die bundel licht verscheen, staand op het altaar, groot, schitterend, vol van majesteit en lieflijkheid, de Maagd Maria, zoals ze op de medaille staat afgebeeld.; een onweerstaanbare kracht dreef mij naar haar toe. De Maagd maakte met een handgebaar duidelijk dat ik moest neerknielen en het leek alsof ze tegen me zei: Mooi zo! Ze heeft niet tegen me gesproken, toch heb ik alles begrepen». Op 31 januari ontvangt Alfons het doopsel. Laten wordt hij ook priester. Daar hij zich inmiddels heeft laten voorlichten over de oorsprong van de Wonderdadige Medaille, wenst hij ook Zuster Catharina Labouré, aan wie ze was onthuld, te ontmoeten. Hij had echter geen rekening gehouden met de grote nederigheid van de zuster die onbekend wenst te blijven en het onderhoud weigert.

Waar vindt ze de kracht?

Die zeer bescheiden zuster, die eveneens de Allerheiligste Maagd had gezien en die Paus Pius XII later de Heilige van het Stilzwijgen zal noemen, is geboren op 2 mei 1806 in het Bourgondisch dorp Fain-les-Moutiers. Een dag later ontving ze bij de doop de voornaam Catharina. Haar vader, Pierre Labouré was een welgestelde herenboer. Catharina is het achtste van tien kinderen. Ze is pas negen wanneer haar moeder op 46-jarige leeftijd, 9 oktober 1815, sterft. Catharina klimt op een stoel, gaat op haar tenen staan om bij het beeld van de Allerheiligste Maagd te komen dat boven op een meubelstuk troont en geheel in tranen smeekt ze haar haar moeder te willen zijn. Meneer Labouré roept de oudste dochter, Marie-Louise, 20 jaar, die in Langres bij een tante verblijft, naar huis terug om de moeder op de boerderij te vervangen.

Op 25 januari 1818 doet Catharina vol overgave haar eerste communie. Marie-Louise die ziet dat haar zusje al vroeg rijp is maakt haar vertrouwd met het werk in het huishouden zodat zij niet langer meer hoeft te wachten met het verwezenlijken van haar plan zich aan God te geven. Gedecideerd zegt Catharina dan tegen haar zusje Tonine: «Met ons tweetjes zullen wij het huis wel runnen». Nu is Catharina dus de koningin op de grote boerderij. 's Morgens is zij als eerste op. Haar voornaamste dagelijks werk is het maken van drie maaltijden. De boerin is tevens dienares; meer dan ieder ander kwijt ze zich met hart en ziel van haar taken. Ze moet ook voor de beesten zorgen. Catharina melkt de koeien 's morgens en 's avonds; ze verdeelt het veevoeder en brengt de kudde naar de drinkplaats in het dorp. De varkens krijgen een verdikte soep te eten waarna ze de eieren in het kippenhok gaat rapen om zich vervolgens bezig te houden met de 700 à 800 duiven die vertrouwd op haar neerstrijken wanneer ze met gulle hand graankorrels uitstrooit. Daarbij haalt ze nog water op uit de put, doet de was, kneedt het deeg voor het brood, gaat donderdags naar de markt van Montbard (15 km), enz. De lange winteravonden worden doorgebracht voor het open haardvuur: dan worden de nieuwtjes uitgewisseld, herinneringen opgehaald, verhalen verteld en daarna volgt het avondgebed. Op zondag gaat Catharina op bezoek bij de armen en de zieken.

Hoe komt het dat zij in staat is een dergelijke loodzware taak te volbrengen? Van tijd tot tijd is ze weg van de boerderij, dat is haar geheim. Iedere dag verdwijnt ze een tijd lang om naar de kerk te gaan die dichtbij is en waar ze geruime tijd neerknielt op de koude stenen vloer. Het tabernakel is leeg want het dorp is sinds de Revolutie zonder priester. Maar de aanwezigheid van de Heer openbaart zich diep in het hart van het meisje. Daar vindt ze de kracht om zich altijd vriendelijk en dienstbaar te betonen. «Met bidden schiet het werk niet op, het is verloren tijd», zeggen de buurvrouwen wel eens. Catharina bekommert zich daar niet om; zij bidt en het werk wordt op tijd gedaan. Het is haar diepste wens kloosterzuster te worden.

Ze wordt bevestigd in haar roeping door een droom. Ze ziet een bejaarde priester, één en al goedheid, die haar nadrukkelijk aankijkt... daarna zit ze, nog altijd in de droom, aan het bed van een zieke. De nog altijd aanwezige priester zegt tegen haar: «Meisje, het is goed voor zieken te zorgen... Op een dag zul je naar mij komen. God heeft plannen met jou, vergeet dat niet». Om kloosterzuster te kunnen worden moet je echter kunnen lezen en schrijven. Een nicht komt met het voorstel Catharina in Châtillon-sur-Seine in een bekend pensionaat, dat onder haar leiding staat, op te nemen. Tonine is nu zestien en kan het werk op de boerderij op zich nemen. Ondanks enig voorbehoud van haar kant, laat Meneer Labouré Catharina vertrekken.

«Ik verander niet!»

In Châtillon-sur-Seine brengt het meisje een bezoek aan de Dochters van Liefde. Daar herkent ze tot haar verbazing op een portret de priester die haar in een droom was verschenen. «Wie is dat? vraagt ze – Het is onze goede vader de heilige Vincentius a Paulo», is het antwoord van een zuster. Ze zegt niets maar deze keer is ze er zeker van dat God haar wil als Dochter van Liefde. Wanneer ze meerderjarig is geworden, in die tijd 21 jaar, kondigt ze haar vader haar beslissing aan zich aan God te wijden. Meneer Labouré wil daar niets van weten: hij heeft al een dochter aan God afgestaan en dat is voldoende. En daarbij is Catharina van nut, zij is opgeruimd, gaat niet met tegenzin naar de feesten in het dorp en de omgeving en men heeft haar zelfs ten huwelijk gevraagd. Maar het meisje is vastbesloten: «Ik wil niet trouwen». Tonine probeert haar op andere gedachten te brengen maar Catharina antwoordt haar: «Ik heb je al gezegd dat ik niet zal trouwen. Ik ben verloofd met de Heer. – Dus sinds je twaalfde denk je er niet anders over? – Nee, ik verander niet».

Na enige maanden geduld te hebben geoefend, verkrijgt Catharina tenslotte de toestemming van haar vader. Op 21 april 1830 vertrekt ze naar de rue du Bac in Parijs om haar noviciaat bij de Dochters v. Liefde te beginnen. Vanaf de eerste maanden van haar religieuze leven wordt ze begunstigd met buitengewone genaden: Jezus vertoont zich aan haar in het Heilig Sacrament tijdens de Mis; het Hart van de H. Vincentius a Paulo verschijnt haar; ze voorvoelt de op handen zijnde Revolutie. Ze vertelt alles aan haar biechtvader, de eerwaarde Aladel, Lazarist, die zo zijn twijfels heeft en haar aanmaant tot rust te komen en de zaak te vergeten.

In de nacht van 18 op 19 juli wordt zuster Catharina gewekt door iemand die haar roept: «Zuster! Zuster!» Een klein kind van 4 à 5 jaar staat voor haar, gekleed in het wit: «Sta snel op en kom mee naar de kapel, de Heilige Maagd wacht op u! – Maar ze zullen me horen! – Wees gerust, het is half twaalf, iedereen slaapt». Ze kleedt zich aan en loopt achter het kind aan in de bundels licht die het verspreidt waar het maar gaat. In de kapel zijn alle kaarsen en fakkels ontstoken. Na even wachten ziet zuster Catharina een rijzige dame die, na te zijn neergeknield voor het Tabernakel, in een stoel gaat zitten. Met één sprong is ze bij haar, met haar handen op de knieën van de Heilige Maagd: «Lief kind, zegt Maria tegen haar, de Goede God wil je belasten met een opdracht die veel moeilijkheden met zich mee zal brengen... Je moet alles aan je biechtvader vertellen. Ongelukken zullen Frankrijk overvallen... Kom aan de voet van dit altaar. Daar zullen de genaden worden uitgestort over alle mensen die met vertrouwen en met godsvrucht erom vragen. Het zal lijken of alles is verloren. Maar ik zal bij jullie zijn. Heb vertrouwen, ik zal je bezoeken en de bescherming van God en de H. Vincentius zal op jullie gemeenschappen rusten». Wanneer Maria tegen 2 uur in de ochtend weggaat is het alsof een licht uitgaat. Zuster Catharina gaat onder geleide van het kleine kind weer naar haar bed. Ze slaapt niet opnieuw in: dat bewijst dat ze niet heeft gedroomd. Meneer Aladel wordt op de hoogte gesteld, maar hij ziet in dat alles niet meer is dan «zinsbedrog» en «verbeelding». De voorspelling van een nieuwe revolutie komt hem erg onwaarschijnlijk voor: Frankrijk verkeert in welvaart en vrede. Maar de revolutie breekt onverwacht uit, op 27 en 28 juli. De oproerlingen vervolgen priesters en geestelijken. Het geweld komt echter de drempel van de door Sint Vincentius gestichte huizen niet over.

Op de daaropvolgende 27ste november ziet zuster Catharina tijdens het avondgebed een tableau opdoemen waarop de Heilige Maagd is afgebeeld: Maria strekt de armen naar haar uit en uit haar handen stralen lichtbundels van een verrukkelijke schittering. Op hetzelfde ogenblik is een stem te horen die zegt: «Deze lichtbundels zijn het symbool van de genaden die Maria voor de mensen verkrijgt.» Rondom het tableau ziet zuster Catharina in gouden letters het volgende opschrift: «O, Maria, zonder zonden ontvangen, bid voor ons die onze toevlucht tot u nemen». Dan wordt het tableau omgedraaid en verschijnen op de achterkant de letter M, initiaal van Maria met daarboven een kruis en onderaan de heilige Harten van Jezus en Maria. De stem voegde er duidelijk aan toe: «Laat een medaille slaan naar dit model. De personen die haar zullen dragen zullen een aflaat ontvangen en zij die die korte aanroeping uitspreken met vroomheid, zullen heel in het bijzonder de bescherming van de Moeder Gods genieten». Zuster Catharina brengt van alles verslag uit aan de eerwaarde Aladel door wie ze alles behalve vriendelijk wordt ontvangen: «Zuiver zinsbedrog! Als u Onze-Lieve-Vrouw wilt eren, volg haar deugden na en hoedt u voor verbeelding!» De zuster trekt zich kalm en beheerst terug en maakt zich verder niet ongerust. De shock kwam echter hard aan.

Geheimzinnige edelstenen

In december 1830 verschijnt Maria een derde maal aan zuster Catharina en toont haar het tableau waarop de medaille is afgebeeld. Aan de vingers van de Allerheiligste Maagd schitteren edelstenen van waaruit lichtstralen op de aarde schijnen. Maar uit sommige edelstenen komen geen stralen: «De edelstenen waar niets uitstraalt stellen de genaden voor die men mij vergeet te vragen», zegt de Maagd Maria: «Je zult me niet meer zien maar je zult mijn stem horen tijdens je gebeden». Zuster Catharina voelt zich vastgezet door het hernieuwde verzoek van de Heilige Maagd en de gehoorzaamheid aan haar biechtvader die niets meer wil horen over die «hersenspinsels». Daar Onze-Lieve-Vrouw niet op haast heeft aangedrongen legt ze zich maar het stilzwijgen op.

Op 30 januari 1831 vindt haar inkleding plaats en wordt ze ingezet in het hospitium van Enghien, in een voorstad van Parijs. Daar is ze op bekend terrein: het kippenhok, de tuin, de duiven en even later de koeien. Maar de innerlijke stem dringt bij haar aan dat ze de medaille laat slaan. Pater Aladel wordt weer geraadpleegd die op zijn beurt de «zaak» aan een collega voorlegt. Vervolgens wenden beiden zich tot monseigneur de Quélen, aartsbisschop van Parijs. De verschijning van Maria gezien in het licht van het mysterie van de Onbevlekte Ontvangenis, ontmoet bij de prelaat meer dan een gewillig oor: «Geen enkel bezwaar tegen het laten slaan van de Medaille, het is geenszins in strijd met het geloof en de vroomheid. Over de aard van het geziene moeten we ons onthouden van een voorbarig oordeel, evenals aan de omstandigheden waaronder het plaatsvond geen ruchtbaarheid geven. Laat die medaille heel eenvoudig worden verspreid. En aan de vruchten zullen we de boom kennen».

Tien miljoen medailles

Pater Aladel is gerustgesteld en bestelt medailles bij een Parijse graveur en geeft ruchtbaarheid aan het verhaal van de Verschijningen, zonder de zuster met name te noemen aan wie ze ten deel waren gevallen. De eerste 1500 exemplaren van de medaille worden geleverd op 30 juni 1832. Zeer spoedig doet zich het ene na het andere wonder voor, zo vaak dat de Medaille geregeld wordt aangemerkt als «wonderdadig». In 1839 zijn er al meer dan 10 miljoen exemplaren van verspreid. Verhalen van genezingen komen uit Amerika, Polen, China, uit Rusland... Zuster Catharina is in dankgebed; het goede nieuws dat door Jesaja werd aangekondigd wordt weer actueel: De blinden zien, de kreupelen lopen, de armen worden onderricht in het evangelie. De Medaille is een «Bijbel» van de armen, het teken van een aanwezigheid, die van Maria, in het licht van Christus, in de schaduw van het Kruis. De weldaden van de mariale bescherming zijn op zeer bijzondere wijze voelbaar in de families van zusters die door H. Vincentius zijn gesticht, met name door de toename in de roepingen.

Het unieke succes van de Wonderdadige Medaille geeft blijk van het genoegen dat Onze-Lieve-Heer erin schept dat zijn Moeder op die manier zo wordt geëerd. Op de dag van Maria Boodschap heeft de engel Gabriël haar gegroet als zijnde vol van genade (Lc 1, 28). In de uitdrukking vol van genade, welke bijna de waarde bezit van een naam, de naam die God aan Maria geeft, heeft de Kerk het voorrecht van de Onbevlekte Ontvangenis erkend, een dogma dat plechtig is afgekondigd in 1854 door Paus Pius IX: «Wij verklaren, wij doen de uitspraak en bepalen dat de leer die stelt dat de Heilige Maagd Maria, vanaf het eerste moment van haar ontvangenis, door genade en bijzonder voorrecht van de almachtige God, met het oog op de verdiensten van Jezus Christus, de Verlosser van het menselijk geslacht, was gevrijwaard van elke smet van de erfzonde, een door God onthulde leer is en deze om die reden vast en voortdurend geloofd moet worden door alle gelovigen» (Bul Ineffabilis Deus, 8 december 1854).

Sinds de val van Adam wordt de mensheid door de zonde, het grootste aller kwaden, als het ware overspoeld; alleen voor de Verlosser en zijn trouwe Medewerkster, Maria, deinst zij terug. Er is wel een opmerkelijk verschil: Christus is totaal heilig uit kracht van de genade die Hem in zijn menselijke hoedanigheid toevloeit uit zijn goddelijke Persoon; Maria is allerheiligst uit kracht van de genade die ze heeft ontvangen door de verdiensten van Jezus Christus. Zij die de Moeder van de Verlosser en Moeder van God moest worden, moest vrij zijn van elke smet. Maria is zodoende op een heel bijzondere wijze vrijgekocht: niet door bevrijding van de zonde maar door vrijwaring van de zonde. Vrij zijn van de erfzonde houdt als gevolg in dat men niet vatbaar is voor concupiscentie, een ongeregelde aandrang die voortkomt uit de zonde en tot zonde aanzet. De Allerheiligste Maagd Maria is door haar trouw aan de genade van haar onbevlekte ontvangenis alleen maar gegroeid in heiligheid, zonder ooit een fout, zelfs geen lichte, te begaan. «Daarom is Maria voor de gelovigen het lichtgevende teken van de goddelijke barmhartigheid en een betrouwbare gids voor wie de hoge toppen van de evangelische volmaaktheid en van de heiligheid wil bereiken» (Johannes Paulus II, 19 juni 1996).

De voorzorgen van de nederigheid

Opstijgen naar de «hoge toppen van de volmaaktheid» veronderstelt dat men de deugd van de nederigheid bezit welke de Maagd Maria zo dierbaar is. Ondanks de stroom van genaden die door de Wonderdadige Medaille worden verkregen blijft zuster Catharina zich, als ware dochter van H. Vincentius, gedragen met een nederigheid die menigeen verbijstert. Monseigneur Quélen had met alle discretie de verspreiding van de medaille goedgekeurd. Maar weldra besluit hij een officieel proces te openen ter erkenning van de op gang gekomen genadenstroom. Wanneer hij echter zuster Catharina te spreken vraagt, al was het maar met bedekt gelaat, krijgt hij nul op zijn rekest en legt zich daarbij neer. «De tegenzin van de zuster om zich bekend te maken komt enkel voort uit haar nederigheid», zal pater Aladel hierover opmerken. We zullen het dus moeten stellen met het getuigenis van de biechtvader die door de zieneres zelf is gemachtigd de feiten te onthullen. Wat zuster Catharina zelf betreft, zij zal haar leven lang alles doen om incognito te blijven, waarbij ze met haar boerenslimheid zo goed mogelijk alle indiscrete vragen uit de weg weet te gaan.

Intussen werkt ze gewoon door en verandert beetje bij beetje de tuin van het tehuis in Enghien in een boerderij. Ze doet ook dienst in de keuken, de

linnenkamer en in de portierskamer, waar ze met veel fijngevoeligheid de armen ontvangt, evenzeer hun zielen als hun lichamen verzorgt, zoals Mijnheer Vincent had aangeraden. Haar voornaamste taak is echter het zorgen voor de oude mannen. Dat is niet bepaald gemakkelijk want ze moet het hoofd bieden aan voormalige jachtopzieners, kamerbedienden, huismeesters, portiers met heimwee naar hun gouden livrei. Ze probeert de grijsaards vooral lief te hebben en legt daarbij een zekere voorkeur aan de dag voor de onaangenaamsten onder hen, alsof die recht hadden op meer bijzondere aandacht.

In 1860 wordt in het tehuis van Enghien een nieuwe jonge Overste benoemd, zuster Dufès. Ze koestert grootse plannen die ze, ter leniging van de ontzaglijke ellende van de buurt, energiek ten uitvoer brengt. De zustergemeenschap komt adem tekort en voelt zich opgejaagd door zoveel jeugdige ondernemingslust, maar zuster Catharina brengt de morrende zusters tot bedaren. Toch wordt ze niet bepaald ontzien door zuster Dufès die haar altijd wel iets heeft te verwijten. Deze strenge houding vindt snel navolging en voor meerdere zusters telt de boerse Catharina met haar accent en haar schort die «in de koestal thuishoren» amper mee. Zuster Catharina zwijgt nederig hoewel ze innerlijk soms een harde strijd voert. Maar haar nederigheid doet niets af aan haar moed en durf. In 1871, na de nederlaag van Frankrijk tegen Pruisen, komt de Commune van Parijs in opstand tegen de maatschappelijke orde. De Heilige Maagd had tegen zuster Catharina gezegd: «Het ogenblik zal komen waarop het gevaar groot zal zijn. Men zal denken dat alles is verloren... maar heb vertrouwen». Op zekere dag vragen de oproerlingen aan de zusters om twee gewonde gendarmes die bij hen zijn opgenomen uit te leveren om te worden geëxecuteerd. Zuster Dufès weigert en wordt met gevangenisstraf bedreigd. Ze verlaat onopvallend het tehuis en vlucht naar Versailles. Zuster Catharina, die haar tijdens haar afwezigheid vervangt, gaat naar de communards om de zaak van haar Overste te bepleiten. Het is een roerig onderhoud en de aanvoerder van de patrouille zwaait op een gegeven moment zelfs met zijn sabel naar haar. Maar uiteindelijk krijgt ze gedaan waarvoor ze was gekomen en keert ongehinderd terug naar het hospitium.

«Gemene spin!»

Na deze tragische periode hervat zuster Catharina haar bescheiden werkzaamheden. Maar ze wordt oud en door ziekte gedwongen gaat ze het wat minder aan doen. Haar hele leven heeft ze geleden aan gewrichtsontsteking en rheumatiek waarbij ze de pijn met een groot geloof aanvaardde; «Wanneer de Heilige Maagd ons iets te lijden bezorgt, verleent ze ons juist een gunst», zei Catharina. Ze is nu versleten door het werk en van de ouderdom en aan het eind van haar krachten. Ze heeft nog altijd één groot verdriet: de Heilige Maagd had haar gevraagd om een beeld van Haar met de wereldbol in haar handen. Haar biechtvaders hadden aan dat verzoek geen gevolg willen geven en pater Aladel had haar zelfs voor «gemene spin» uitgemaakt toen ze weer eens met klem om het beeld had verzocht... Zuster Catharina bidt derhalve tot Maria om te weten of ze haar «geheim» aan haar Overste bekend moet maken; diep in haar hart hoort ze «ja» en vertelt dan alles: ze drukt zich zo helder en zo vlot uit dat haar Overste zich gewonnen geeft en weldra wordt het beeld van de Maagd met de wereldbol uitgevoerd.

Zuster Catharina wacht vanaf die dag in alle rust op de dood. Talloze malen heeft ze haar zusters gewaarschuwd dat ze het jaar 1877 niet meer zal meemaken. En inderdaad, op 31 december 1876, tegen zeven uur 's avonds, na met haar communiteit de gebeden der stervenden te hebben gebeden, schijnt ze in te sluimeren. Weldra constateert men dat ze zacht en zonder enig gerucht, zoals ze heeft geleefd, is gestorven; haar ziel wordt in de handen van de Heilige Maagd ten hemel gedragen. «We konden nauwelijks merken dat ze had opgehouden te leven, verklaarde later zuster Dufès; ik heb nooit iemand zo kalm en zacht zien sterven».

«De doorluchtige Moeder Gods die aan een nederig meisje verschijnt is zeker iets dat de grootste bewondering waardig is, zei Paus Pius XII bij de zaligverklaring van de heilige Catharina Labouré (27 juli 1947), maar nog meer bewonderenswaardig schijnen ons de deugden toe die deze dochter van de H. Vincentius sieren». Laten we aan de Allerheiligste Maagd Maria de genaden vragen die wij nodig hebben om op onze beurt aan Christus gelijkaardig te worden want, zo luidt het getuigenis van Alfons Ratisbonne, «de woorden ontbreken ons om weer te geven hetgeen de handen van onze Moeder Maria omsluiten en om te getuigen van de onuitsprekelijk goede gaven die uit die handen komen... Dat zijn de goedertierenheid, de barmhartigheid, de liefde, de zachtmoedigheid en de weldadigheid van de Hemel die over ons worden uitgestort om er de zielen die zij wil beschermen in onder te dompelen».

Doordat God de Vader zijn Zoon door Maria naar de wereld heeft gezonden, komen de mensen ook door Maria nader tot Jezus, verkrijgen vergeving van hun zonden en brengen het werk ter eigen heiliging tot een goed einde. Wij bidden de Allerheiligste Maagd en ook de Heilige Jozef voor u en voor allen, levenden en doden, die u dierbaar zijn.

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques