Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
19 maart 2001
Sint-Jozef


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

Op 13 oktober 1917 doet zich in het Portugese Fatima een groot wonder voor: aan de hemel danst een twaalftal minuten lang de zon ten aanschouwen van 70.000 personen, bij gelegenheid van een verschijning van de Allerheiligste Maagd Maria aan drie kinderen: Lucia, Jacinta en Francisco. Deze opzienbarende en te voren aangekondigde gebeurtenis verleent de nodige geloofwaardigheid aan de woorden van de H. Maagd die wijzen op de noodzaak van het rozenkrans bidden en het doen van penitentie voor de zondaars. Terwijl de menigte met stomheid geslagen naar de zich verplaatsende zon kijkt en denkt dat het einde van de wereld is gekomen, zien de drie kinderen Sint-Jozef die het Kind Jezus dat de wereld zegent vasthoudt. Met dit visioen wijst Onze-Lieve-Vrouw op het belang van de rol van Sint-Jozef voor het heil van de wereld.

Zo'n vijftig jaar eerder, op 20 september 1870, drong een leger van 60.000 Piëmontezen onder bevel van de Sardijnse koning Victor-Emmanuel II, Rome, de hoofdstad van de christelijke wereld, binnen en beroofde de Zalige Pius IX van zijn wereldlijke soevereiniteit die de bisschopen van Rome hadden genoten sedert de tijd van Karel de Grote. Op dat kritieke moment verkeerden de Paus en de katholieke wereld in angst, niet wetende hoe de Kerk, onder dergelijke omstandigheden, te vrijwaren van politieke valkuilen. Pius IX die de toekomst van de Kerk wilde toevertrouwen aan de goddelijke barmhartigheid, stelde haar onder de bijzondere bescherming van Sint-Jozef en verklaarde hem «Patroon van de Katholieke Kerk».

Sint-Jozef is een «uitnemend beschermheer». «Jozef is inderdaad de hoeder, de kostwinner, de opvoeder en het hoofd van het gezin geweest waarin de Zoon van God hier op aarde heeft willen leven. Hij is, in één woord, de beschermer van Jezus geweest. En de Kerk is in haar wijsheid tot de slotsom gekomen dat hij die de beschermer is geweest van het lichaam, van het lichamelijk en geschiedkundig bestaan van Christus, in de Hemel zeker de beschermer van het mystieke Lichaam van Christus, dat wil zeggen de Kerk, zal zijn.» (Paulus VI, 19 maart 1968). Het beschermheerschap van Sint-Jozef, verklaart Paus Johannes Paulus II, «moet worden ingeroepen en is de Kerk voortdurend van node, niet alleen om haar te behoeden voor de gevaren die zich onophoudelijk zullen blijven voordoen maar ook en vooral om haar te steunen bij haar nimmer aflatende inspanningen ter evangelisatie van de wereld en de hernieuwde evangelisatie van de landen en de volkeren waar het christelijke geloof en leven vroeger in meer dan volle bloei stonden en die nu zwaar worden beproefd» (Apostolische Exhortatie Redemptoris Custos, 15 augustus 1989, n. 29).

Op het eerste gezicht komt Sint-Jozef over als een personnage dat erg op de achtergrond is gebleven. «In de spiegel van het evangelieverhaal bezien, zei Paus Paulus VI, komt Jozef naar voren met de uitgesproken kenmerken van een vergaande nederigheid: een bescheiden arbeider, arm en onopvallend, waar niets bijzonders aan is, van wiens stem in de Kerk zelf geen enkele toonaard doorklinkt. Zij doet van geen enkel woord van hem verslag en maakt alleen gewag van zijn houding, van zijn gedrag, van wat hij heeft gedaan en dat alles in zwijgzame terughoudendheid en in volmaakte gehoorzaamheid» (19 maart 1965).

Aan onze voeten

Maar in werkelijkheid is Sint-Jozef een unieke en zeer toegankelijke meester: «Jozef is te allen tijde en op een voorbeeldige wijze een onovertrefbare hoeder, hulpverlener en meester geweest... Laten we zijn nederigheid eens in ogenschouw nemen. Wat schijnt zij ons broederlijk toe en, zo zouden we kunnen zeggen, zo gelijkend op ons, broze, middelmatige, onbetekenende zondige wezens! Met welk een gemak stelt men zijn vertrouwen in een heilige die ons niet kan intimideren, die geen enkele afstand tussen hem en ons creëert en die zich zelfs met een verlegen makende ootmoed aan onze voeten werpt om te zeggen: zie welke hoogte mij is toebedacht! Welnu, juist tot dat niveau, tot die onuitsprekelijke onderworpenheid, heeft de Heer van Hemel en aarde zich verlaagd en daaraan heeft Hij eer willen brengen door er zijn keus op te laten vallen en haar te verkiezen boven alle menselijke waarden» (ibid.). Sint-Jozef is dan ook «het bewijs dat je niet noodzakelijk grootse dingen hoeft te verrichten om goed te zijn en een ware volgeling van Christus; dat gewone menselijke, eenvoudige, maar authentieke deugden voldoen» (id., 19 maart 1969).

In de loop van de geschiedenis hebben talrijke heiligen zich tot Sint-Jozef gekeerd om zijn grootheid te bezingen, zijn bescherming af te smeken en zijn deugden na te volgen. Zo had zuster Maria Repetto, de «Brignolijnse» religieuze die Paus Johannes Paulus II op 4 oktober 1981 heeft zaligverklaard, een grenzenloos vertrouwen in Sint-Jozef. Maria Repetto, dochter van een notaris, is de oudste in een gezin van elf kinderen. Geboren op 31 oktober 1807 te Voltaggio, ten noordwesten van Genua (Italië) en gedoopt op dezelfde dag. Vader en moeder Repetto geven aan hun kinderen een diep geloof en liefde voor de armen door. Vier van hun dochters gaan in het klooster en een zoon wordt priester gewijd. Op 7 mei 1829 meldt Maria zich bij het tehuis van de Zusters van Onze-Lieve-Vrouw van Toevlucht («Brignolijnen» genoemd) in Bisagno (dicht bij Genua) om er in te treden. Op 15 augustus 1829, wordt ze ingekleed en twee jaar later legt ze haar geloften af.

Zuster Maria neemt de regel van de Brignolijnen met een uitzonderlijke trouw, nederig en eenvoudig, kalm en stichtend in acht. Ze wordt eerst te werk gesteld in het naaiatelier: de naaikamer stelt de zusters in staat het tehuis materieel draaiende te houden. Er wordt geborduurd, met zijden of gouden garen, kleden, hemden of weelderige kleren die worden verkocht aan gefortuneerde lieden die erom vechten, zo perfect is de kwaliteit van het afgeleverde werk. Die kwaliteit is te danken aan de liefde waarmee de zusters het werk verrichten, in navolging van Sint-Jozef... «Een van de wijzen waarop de liefde in het leven van de Familie van Nazaret tot uitdrukking wordt gebracht, schrijft Paus Johannes Paulus II, is de arbeid. De evangelietekst preciseert met welke soort van werk Jozef in het levensonderhoud van zijn Familie probeert te voorzien: dat van timmerman... De gehoorzaamheid van Jezus in het huis van Nazaret wordt ook beschouwd als deelname aan het werk van Jozef. Hij die de «zoon van de timmerman» genoemd werd, had het werk van zijn veronderstelde vader geleerd» (Redemptoris Custos, n. 22-23). Jezus leerde van Sint-Jozef te werken met gevoel voor perfectie: «In de menselijke groei van Jezus in wijsheid, in afmeting en in genade, nam één deugd een belangrijke plaats in: gewetensvolle beroepsuitoefening» (ibid.).

De patroon van de diplomaten

Het minutieuze werk van zuster Maria, gevoegd bij de verstervingen die zij zichzelf oplegt, verzwakt haar gezichtsvermogen aanzienlijk zodat men haar de taak van portierster toevertrouwt. Het is makkelijk om een deur open te doen, maar moeilijk om een goede portierster te zijn in een tehuis van religieuzen, want waar het om gaat is het vervullen van de rol van tussenpersoon tussen het kloosterleven en het leven in de buitenwereld. De portierster ziet erop toe dat er niets ongepast binnen komt. Aan de mensen van buiten biedt ze daarentegen troost en geestelijke steun. Ze is dus verplicht zich van diplomatie te bedienen, en zuster Maria zoekt haar toevlucht bij Sint-Jozef als patroon van de diplomaten.

De Eerbiedwaardige Johannes XXIII, van wie de heldhaftigheid der deugden is erkend door Paus Johannes Paulus II op 20 december 1999, beschouwde Sint-Jozef ook als een voorbeeld voor de diplomaten. Bij zijn benoeming tot Apostolische Delegaat in Bulgarije, zei Monseigneur Roncalli, de toekomstige Johannes XXIII, tegen kardinaal Gasparri, dat hij het feest van Sint-Jozef had uitgekozen voor zijn bisschopswijding «omdat die heilige, naar het schijnt, de beste meester en patroon van de diplomaten van de Heilige Stoel moet zijn. – Oh! Werkelijk, zei de kardinaal, dat antwoord had ik niet verwacht. – Ziet u maar eens, Eminentie: weten te gehoorzamen, weten te zwijgen, spreken wanneer het moet, met mate en terughoudendheid, dat is de rol van de diplomaat van de Heilige Stoel en die van Sint-Jozef. We zien hem terstond op reis gaan, uit gehoorzaanheid, naar Betlehem; hij gaat op zoek naar een onderkomen, houdt vervolgens de wacht bij de grot; acht dagen na de geboorte van Jezus voert hij het joodse ritueel uit waarmee de nieuwgeborene plechtig wordt erkend als behorend tot het uitgekozen volk; vervolgens zien we hem eervol de Drie Koningen ontvangen, die luisterrijke ambassadeurs uit het Oosten, dan zien we hem nog op de wegen van Egypte, vervolgens op de terugweg naar Nazaret, nog altijd gehoorzaam en zwijgzaam; afwisselend stelt hij Jezus voor en verbergt Hem, verdedigt Hem en voedt Hem. Wat hem zelf betreft, hij treedt nooit op de voorgrond, blijft in de schaduw van de mysteriën van de Heer, waarop bij iedere gelegenheid een engel een lichte en voorbijgaande straal van hemels licht wierp».

Op haar manier volgt zuster Maria Repetto het voorbeeld van Sint-Jozef na. Zo engelachtig als haar geduld moge zijn, het is geen deugd die haar is aangeboren. Zelf zegt ze herhaaldelijk: «Men moet tegen de stroom in gaan», dankzij het gebed en de offervaardigheid. Allerlei grofheden, stormen en tegenwind ten spijt, doet ze haar best om haar glimlach te bewaren. Elke dag bellen tien tot twintig personen aan, maar de laatste treft haar even vriendelijk aan als de eerste.

«Sint-Jozef heeft zich laten vermurwen!»

Haar vertrouwen in Sint-Jozef is volledig. Onophoudelijk raadt ze mensen aan hun toevlucht tot hem te nemen. Als men haar iets vraagt dat een beetje moeilijk is, gaat ze allereerst bidden voor het beeld van Sint-Jozef in de aangrenzende gang van de portiersloge, komt vervolgens terug om antwoord te geven. Op een dag komt het familielid van een meisje van 21 jaar zich beklagen, zo spijt het haar dat het meisje in kwestie, dat haar geloof heeft verloren, zal sterven zonder zich met God te hebben verzoend; «Ik kan niets doen», antwoordt zuster Maria. «Bidt tot Sint-Jozef!» smeekt de bezoekster. «Ik heb al tot hem gebeden; er is niets aan te doen». Maar plotseling verklaart ze, de ogen ten hemel opgeslagen: «Hoort u eens: Sint-Jozef heeft zich laten vermurwen... De genade is verkregen. Gaat u naar huis. De eerwaarde X. zal alles doen wat er moet worden gedaan». Bij het ziekbed van de stervende aangekomen, treft de bezoekster inderdaad die priester aan die de zieke heeft laten komen om haar de sacramenten toe te dienen.

Weer een andere dag beveelt een vrouw haar man aan die blind is geworden. De zuster raadt haar aan tot Sint-Jozef te bidden, gaat dan naar haar kamer en draait het schilderij met een afbeelding van de heilige met het gezicht naar de muur en zegt: «Voelt u ook maar eens een keer wat het is om in duisternis te verkeren». De volgende dag komt de vrouw terug en verklaart dat haar man plotseling zijn gezichtsvermoren heeft hervonden. Zuster Maria rent dadelijk naar haar kamer en draait het schilderlj weer om en zegt eenvoudig: «Dank, Sint-Jozef!» Haar werkwijze die

sommigen zal verbazen duidt op een grote kinderlijke vrijheid ten aanzien van de grote heilige.

Ter uitoefening van haar apostolaat heeft zuster Maria altijd medailles van Sint-Jozef bij de hand die ze uitdeelt aan wie ze maar wil hebben. Ze geeft ook vaak «Giuseppini» («Sint-Jozefjes»): afbeeldingen van Sint-Jozef op stof of op papier met een doorsnede van anderhalve centimeter. Na een pijnlijke operatie komt een vrouw vragen om gebeden voor een wond die maar niet wil helen. «Legt u een Giuseppino op het zieke deel, antwoordt zuster Maria. Ik zal tot Sint-Jozef bidden en hij zal u genezen». Spoedig daarna wordt het gebed verhoord: er komt geen etter meer uit de wond en er vormt zich een litteken. Op dezelfde wijze worden talloze andere genezingen verkregen.

«In alle tijden heeft de godsdienstzin van het christenvolk haar uitdrukking gevonden in allerlei godvruchtige praktijken die het sacramentele leven van de kerk begeleiden zoals de verering van relieken, het bezoek aan heiligdommen, bedevaarten, processies, kruisweg, rozenkrans, medailles enz., zo leert de Katechismus van de Katholieke Kerk. Deze praktijken liggen in het verlengde van het liturgisch leven van de Kerk, maar ze zijn er geen vervanging van» (n. 1674-1675). Door het gebruik van de medailles stellen de gelovigen zich onder de bescherming van de afgebeelde heiligen; ze zijn geneigd zich aan hen toe te vertrouwen en het gebed dat tot hen wordt gericht kan talrijke genaden verkrijgen.

Benepen egoïsme of voorzienige liefdadigheid?

De verering van zuster Maria voor Sint-Jozef maakt dat ze in een geest van armoede gebruik maakt van de goederen van deze wereld. «Met de arme en hard werkende Sint-Jozef, net als wij bezig iets te verdienen om te leven, zei Paus Paulus VI, zijn wij van oordeel dat ook de economische goederen onze belangstelling van christenmensen waardig zijn, op voorwaarde dat zij niet worden beschouwd als een doel op zich, maar als een middel ter ondersteuning van het leven dat is gericht op goederen van hogere betekenis; op voorwaarde ook dat zij niet het voorwerp zijn van benepen egoïsme maar juist stimuleren tot en de bron zijn van een voorzienige liefdadigheid; op voorwaarde tenslotte dat zij niet zijn bestemd om ons te vrijwaren van persoonlijke arbeid en een gemakzuchtig en week genot bevorderen van de zogenaamde genoegens des levens, maar juist in tegendeel eerlijk en ruimschoots worden verdeeld ten bate van allen. De noeste en waardige armoede van deze evangelische heilige is heden ten dage nog een uitstekende gids voor ons om in onze moderne wereld het spoor van Christus' voetstappen terug te vinden» (19 maart 1969).

Zuster Maria volgt de arme Christus na. Ze draagt nooit nieuwe kleren, maar gebruikt versleten kleren van de andere zusters die zij herstelt en op haar maat maakt: «Het is een luxe, zegt ze, nieuwe kleren te dragen als oude nog voldoen». Zij geeft ook blijk van haar liefde voor de armen door haar zorg voor de behoeftigen die zich tot haar wenden. Nooit zag men zoveel armen die aan de deur van het tehuis van de Brignolijnen kwamen bedelen dan toen zuster Repetto portierster was. Hoewel ze niet royaal kan uitpakken, geeft ze wat ze heeft: brood, wat etensresten, kleren, een paar stuivers. In de refter plaatst ze een offerblok met de inscriptie: «Voor de armen van zuster Repetto» en zo helpen de andere zusters haar in de behoeften van de ongelukkigen te voorzien. Ze bedelt eveneens bij Moeder Overste, bij bestuursleden en bij welgestelde lieden die het klooster bezoeken, ten behoeve van de armen. Met de ene hand ontvangt ze, met de andere deelt ze uit.

Zodra zijn oor heeft gehoord...

Maar de zorg die zij ten toon spreidt jegens de armen wordt in haar communiteit niet altijd goed begrepen en wordt de oorzaak van enige troebelen. Haar Overste vraagt haar dan ook op een dag zich niet meer met het portierswerk te belasten. «Dat komt door mijn zonden», denkt zuster Maria; maar ze onderwerpt zich nederig aan de goddelijke wil, tot uiting gekomen via haar Overste. «Gehoorzaamheid zonder dralen, schrijft de H. Benedictus, is eigen aan hen die niets méér ter harte gaat dan Christus, omwille van de heilige dienstbaarheid die zij publiek hebben beloofd, uit vrees voor de hel en uit verlangen naar de heerlijkheid van het eeuwig leven. Zodra de Overste iets beveelt, alsof God zelf het bevel gegeven had, weten zij van geen uitstel. Over hen heeft de Heer gezegd: «Op het eerste gehoor heeft hij Mij gehoorzaamd (Ps 17,45). En tot hen die de leer uitdragen zegt Hij ook nog: «Wie u hoort, hoort Mij (Lc 10,16)... Zonder enige twijfel zijn zij degenen die het woord van de Heer volbrengen wanneer Hij zegt: Ik ben niet mijn eigen wil komen doen, maar de wil van Hem die Mij gezonden heeft (Joh 6,38)» (Regel, hfdst. 5). Nu ze niet meer door bezoekers in beslag wordt genomen, brengt zuster Maria meer tijd door met gebed in de kapel. Maar enige maanden later wordt haar opnieuw de taak van portierster toebedeeld. Door altijd in te stemmen met Gods welbehagen volgt ze het bewonderenswaardige voorbeeld van Sint-Jozef na.

«De kenmerkende instemming van Sint-Jozef met de wil van God is het voorbeeld dat we vandaag moeten overdenken, zei Paus Paulus VI, 19 maart 1968... Bij Sint-Jozef zien we een verbazingwekkende volgzaamheid, een uitzonderlijk snelle bereidheid tot gehoorzamen en gevolg geven aan een opdracht. Er wordt niet over gepraat, er wordt niet geaarzeld, rechten of verlangens spelen geen rol... Jozef aanvaardt zijn lot omdat hem is gezegd: Wees niet bang uw vrouw Maria bij u te nemen, want wat bij haar tot leven is gewekt, is van de heilige Geest. En Jozef gehoorzaamde. Later wordt hem opgedragen: jullie moeten weg, want de nieuwgeboren Verlosser verkeert in gevaar. En hij aanvaardt een lange reis door brandende woestijnen, zonder middelen noch kennis, een banneling in een vreemd en heidens land; altijd klaar om trouw te luisteren naar de stem van de Heer die hem vervolgens zal bevelen de weg terug te gaan. Nauwelijks terug in Nazaret, hervat hij zijn gewone leven van ambachtsman waarin het werk wordt afgewisseld met gebed.

Ook zuster Maria is buiten haar dagelijkse taak van portierster voortdurend in gebed. In vrome overpeinzing is ze onophoudelijk in gesprek met God, zelfs in de gangen van het tehuis. Zonder een spoor van aanstellerij maar in een ademtocht van liefde spreekt ze de namen uit van Jezus en Maria. Ze overdenkt getrouw het lijdensverhaal en bidt dagelijks de kruisweg. Om goed te bidden vertrouwt ze zich toe aan Sint-Jozef want «deze hemelse beschermheer begunstigt op zeer treffende wijze de geestelijke vooruitgang van de zielen die zich aan hem aanbevelen», verklaart de H. Teresia van Avila (Autobiografie, hfdst. 6) . De hervormster van de Karmelietessen-orde schrijft ook nog: «Daar ik uit lange ervaring weet welk een verbazingwekkend krediet Sint-Jozef geniet bij God zou ik iedereen willen overhalen hem met een bijzondere verering hulde te brengen. Tot nu toe heb ik mensen die een ware en met goede werken ondersteunde devotie voor hem hadden altijd vooruitgang zien boeken in de deugdzaamheid... Degenen die me niet zouden geloven wil ik daarom alleen smeken de proef op de som te nemen; ze zullen met eigen ogen kunnen constateren welke voordelen het heeft zich aan te bevelen aan deze glorierijke vaderfiguur. Vooral de biddende mens zou hem altijd met een kinderlijke liefde moeten beminnen... Moge degene die niemand kan vinden om hem te leren bidden deze bewonderenswaardige heilige tot meester kiezen, hij hoeve niet te vrezen onder zijn leiding te verdwalen.» (Ibid.).

De heilige Jozef is als unieke meester in het gebed ook de «hoeder van de maagden» en de beschermer van de echtelijke kuisheid. Door God uitgekozen als echtgenoot voor Maria, is hij begiftigd met een zuiverheid, nog schitterender dan de zon. De Allerheiligste Maagd heeft zich dan ook in volledig vertrouwen aan hem als aan de hoeder van haar maagdelijkheid gegeven. Zo ook vertrouwt zuster Maria haar maagdelijke wijding toe aan de machtige bescherming van Sint-Jozef. Ze bidt eveneens ijverig tot hem ter bekering van de zondaars. Het welzijn der zielen gaat haar ter harte en wel op de allereerste plaats. Wanneer men haar zieken aanbeveelt, antwoordt ze: «De eerste genade waarom we moeten vragen is het heil van de ziel.» Om haar gebed kracht bij te zetten, laat ze het gepaard gaan met penitentie. Het behaagt de Goede God aan deze eenvoudige en nederige ziel bepaalde gebeurtenissen, die in de toekomst zullen plaatsvinden, te onthullen. Er is een gezin dat meer dan een jaar geen bericht heeft ontvangen van een zekere Barthélemy. Diens moeder stuurt haar dochter naar zuster Maria die op haar beurt naar de kerk gaat om te bidden voor het schilderij met een afbeelding van Sint-Jozef en komt vervolgens met een blij gezicht terug: «Je vraagt mij om nieuws van je broer; hij is al in Genua en wacht op je». Op een dag vraagt zuster Emmanuelle haar wanneer voor hun stichteres, Virginie Centurione, altaren zullen worden gebouwd. Zuster Maria verklaart dan: «Vóór haar, zal een van haar dochters geëerd worden», niet wetende dat ze aldus zichzelf aanduidde, anders had ze niets verklaard. Virginie Centurione werd inderdaad in 1985, vier jaar na Maria Repetto, zaligverklaard.

Nog niet!

Ondanks het harde werken en penitenties volbrengen, is zuster Maria in alle 60 jaren van haar religieuze leven nooit ziek. Maar het slijten der jaren is uiteindelijk wel merkbaar. Op 8 september 1888 vraagt ze aan de Heer haar bij zich in het Paradijs op te nemen. Hij antwoordt haar: «Ik zal je opnemen, maar nu nog niet; je moet eerst naar het Vagevuur. – Laat me maar alleen, zo lang ik U nog niet waardig ben», luidt haar weerwoord. Op de ziekenafdeling is ze door het geduldig en kalm aanvaarden van haar pijnen tenslotte de Hemel waardig. Iedere dag gaat zuster Maria te communie en zit lang in gebed verzonken. Tegen degenen die haar aanspreken heeft ze het graag over het Paradijs.

Op 5 januari 1890 krijgt ze een lichte beroerte. Even later opent ze haar ogen, heft ze ten hemel, strekt haar armen uit en mompelt glimlachend: «Regina caeli, laetare, alleluia (Koningin des Hemels, verheugt u, alleluia!)». Tenslotte geeft ze de geest; haar ziel is in de Hemel, in de oneindige liefde van de Drie-eenheid. Op 4 oktober 1981, verklaart Paus Johannes Paulus II haar zaIig en zegt bij die gelegenheid: «Meer nog dan de poort van haar klooster, heeft ze haar hart voor allen geopend teneinde altijd te geven en alles aan God te geven en aan de armen, in vrede en blijdschap».

Laten wij naar het voorbeeld van de zalige Maria Repetto onze toevlucht nemen tot Sint-Jozef in al onze noden, de aardse zowel als de geestelijke en laten wij ons best doen zijn deugden na te volgen. De Eerbiedwaardige Johannes XXIII zei op 19 maart 1961: «Wil iemand zich redden, zich in veiligheid brengen in het huis van de Vader en de kostbare gaven van de natuur en de genade die hij van God heeft ontvangen behouden, hoeft hij zich slechts te voegen naar het eeuwig onderricht van het Evangelie en van de Kerk, waarvan het nederig leven van Sint-Jozef ons een alleraantrekkelijkst voorbeeld biedt». Die genade wensen wij u toe.

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques