Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
6 januari 2001
Epifanie


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

Op 2 januari 1871, aan de vooravond van zijn overlijden, zei pater Kuriakose Elias van de Heilige Familie tegen de leden van het monastiek instituut dat hij leidde: «Waarom zijn jullie zo bedroefd? Ieder mens, wie dan ook, moet op de een of andere dag heengaan. Voor mij is het uur gekomen... Sinds mijn heilige ouders mij hebben geleerd de heilige namen van Jezus, Maria en Jozef vaak aan te roepen, heb ik onophoudelijk hun bescherming genoten en ik voel dat ik door de genade van God nooit de heiligmakende genade heb verloren die ik bij het doopsel heb ontvangen... Weest niet verdrietig of ontdaan over mijn vertrek. Onderwerpt u volledig en van ganser harte aan de heilige Wil van God. God is uitgesproken en oneindig barmhartig... Moge onder u allen volmaakte liefde heersen... Door zo te handelen, verschaft u aan God de heerlijkheid en aan de zielen het heil, en onze congregatie zal er zeer wel bij varen».

De christenen van St.-Thomas

De monnik die zo sprak en op 8 februari 1986 door Paus Johannes Paulus II is zalig verklaard, werd geboren op 8 februari 1805, in het dorp Kainakary, in Kerala (een provincie in het zuiden van India). Zijn ouders, Kuriakose en Maria Chavara, die bij de notabelen van de streek hoorden, hadden al een zoon en vier dochters. Naar gewoonte wordt het kind Kuriakose genoemd zoals zijn vader en in het heiligdom Onze-Lieve-Vrouw van Vechour, op 8 september van dat jaar, feest van Maria Geboorte, aan de Allerheiligste Maagd opgedragen. Daarover schrijft hij later: «Mijn moeder leerde mij verschillende gebeden die ze me liet opzeggen tijdens de eerste uren van de nacht terwijl ik geknield naast haar zat». Zo ontvangt hij een zeer oude christelijke erfenis. Het christendom in India gaat inderdaad terug in de tijd tot de periode van de Apostelen. Er is een traditie die verhaalt dat de heilige Apostel Thomas, toen hij rond het jaar 52, in Kerala, op de westelijke kust van Zuid-India, aankwam, het land evangeliseerde tot aan zijn marteldood op 3 juli 72 in Mylapore, op de oostkust. De door hem gestichte gemeenschappen floreren nog en de leden ervan worden «de christenen van St.-Thomas» genoemd.

Tot aan de zesde eeuw werd de liturgie van die christenen alleen gevierd volgens de Syro-Malabaarse ritus, een oosterse ritus afkomstig uit het Syrisch Antiochië (in het tegenwoordige Turkije). De zetel van Antiochië is met die van Alexandrië een van de belangrijkste oosterse zetels van apostolische oorsprong wier patriarchaal gezag is erkend vanaf het Concilie van Nicea (325). De Syro-Malabaarse ritus is dus heel oud en wordt gevierd in het Oud-Syrisch. Deze verschilt van de Latijnse ritus door de vorm van de liturgische ornamenten, de kerkelijke feest – en vastendagen, de sacramentele ceremoniën enz. Toen de Portugezen in de XVIe eeuw in India aankwamen, voerden zij de Romeinse (ofwel Latijnse) liturgie in. Sindsdien bestaan de Latijnse en Syro-Malabaarse ritussen naast elkaar.

Reeds als klein kind is Kuriakose Chavara zeer vroom en uitzonderlijk intelligent. Van zijn vijfde tot zijn elfde jaar gaat hij naar de dorpsschool. Zijn grote ambitie is de mis dienen (volgens de Syro-Malabaarse ritus). Wanneer Kuriakose de leeftijd van twaalf jaar bereikt neemt de eerwaarde Thomas Palackal, die in hem tekenen van priesterroeping had waargenomen, hem mee naar het seminarie van Pallipuram waar hij directeur is en in 1817 ontvangt de jongen de klerikale tonsuur. Kort daarna sterven zijn ouders en zijn broer. Zijn ooms willen dat hij de weg naar het priesterschap verlaat om zich met de belangen van zijn familie, met name het dochtertje van zijn overleden broer bezig te houden. Maar nadat hij de opvoeding van zijn nichtje heeft geregeld, zet Kuriakose Chavara zijn studie aan het seminarie voort. Een van zijn klasgenoten schrijft over hem: «Op het seminarie leidde Kuriakose Chavara een voorbeeldig leven van liefde tot God, van zachtmoedigheid, nederigheid, gehoorzaamheid en broederlijke liefde; al zijn medescholieren bewonderden hem en hielden van hem» De jonge seminarist gaat vervolgens met twee medescholieren naar het centrale seminarie van Verapoly waar hij Latijn en Portugees studeert. Daarna wordt hij, op zijn vierentwintigste, door de plaatselijke apostolisch vicaris, Monseigneur Stabilini, op 29 november 1829, tot priester gewijd.

Monniken als missionarissen

Tezelfdertijd vatten de uitmuntende priesters, eerwaarde Palackal en zijn vriend Perukkara, bekend om hun talenten en hun heiligheid, het plan op zich in de eenzaamheid terug te trekken om te gaan leven zoals de kluizenaars. Monseigneur Stabilini, die deze wens serieus neemt, stelt hun voor een inlands religieus instituut op te richten. Kuriakose is door het zelfde ideaal gegrepen en voegt zich bij hen met goedkeuring van de bisschop. Op 11 mei 1831 wordt de eerste steen van het aan de H. Jozef toegewijde klooster van Mannanam gelegd. Enkele priesters en seminaristen treden toe tot de nieuw ontstane communiteit welke naast het klooster een seminarie sticht. Een halve eeuw lang zal dit seminarie voorzien in de behoeften van de Syro-Malabaren van Kerala welke des te dringender waren omdat voorheen de uiterst povere priesteropleiding met zich meebracht dat de gelovigen zeer gebrekkig werden onderwezen.

In 1844 wordt pater Kuriakose door de apostolisch vicaris van Verapoly belast met het doorlichten van de hele clerus van zijn ritus: toelating tot priesterwijding, bevoegdheid om de biecht af te nemen en om te preken. Omdat hij katholieke werken wil laten drukken in het malayalam (regionale taal), laat hij in het zelfde jaar een houten drukpers vervaardigen. Dankzij dit werktuig dat nu buiten gebruik is maar zorgvuldig wordt bewaard, worden talrijke godsdienstige boeken gepubliceerd, evenals een maandblad dat de naam De bloem van de Karmel draagt en een dagblad: De Deepika = verlichter. Wanneer de twee stichters van de monastieke communiteit overleden zijn, wordt pater Chavara in 1846 er de overste van. De paters van het Instituut van Mannanam wijden een even groot deel van hun leven aan contemplatie als – overeenkomstig de verlangens van de apostolisch vicaris – aan het geven van retraites en aan parochiële taken. Pater Kuriakose zelf doet voor dit apostolaat bijna alle kerken van Kerala aan. Op die manier vormt de nieuwe communiteit die het apostolisch leven laat samengaan met de monastieke observanties een levendig centrum van waaruit wordt gewerkt aan het stichten van de christengemeente.

Iets radicaal anders

Het belang van het monastieke leven voor het christendom is een paar jaar geleden nog eens onderstreept door de Indiase Bisschoppenconferentie die werd voorgezeten door Monseigneur Powathil, Syro-Malabaars aartsbisschop van Changanacherry, in de staat Kerala: de «postmoderne» generatie zoekt de godservaring in de oosterse godsdiensten en verlangt een authentieke spiritualiteit. In de loop van het eerste millennium was het godsdienstig leven erop gericht mensen een innige godservaring te geven en aan de wereld getuigenis af te leggen. Hierdoor bleef de contemplatieve en eschatologische dimensie van het christelijk leven een centrale positie in het leven behouden. De monnik was een voorbeeld van heiligheid bij uitstek. We moeten nu het monnikenwezen weer herstellen in zijn centrale positie binnen de Kerk, zowel in het oosten als in het westen. De «postmoderne» wereld kan slechts worden aangetrokken door iets dat radicaal anders is dan de voorbeelden van een individualistische en oppervlakkige consumptiecultuur. Alleen het monnikendom is in staat haar de ware authenticiteit en de gemeenschapszin te bieden waarnaar zij zo wanhopig op zoek is (vgl. De Kerk in nood in de wereld, n. 87, 1995). «De kloosters waren en zijn nog steeds een welsprekend teken van verbondenheid, een gastvrij huis voor mensen die op zoek zijn naar God en naar geestelijke zaken; ze zijn scholen voor het geloof... ten behoeve van de opbouw van het kerkelijk leven en van de opbouw van de stad hier op aarde, in afwachting van de hemelse stad» (Johannes Paulus II, apostolische exhortatie Vita consecrata, 25 maart 1996, n. 6).

Kracht puttend uit zijn intens spiritueel leven, ontwikkelt het door pater Kuriakose bestuurde instituut zich zo voorspoedig dat het spoedig wordt verheven tot congregatie, de «Congregatie van de Dienaren van de Onbevlekte Moeder van de berg Karmel», beter gekend onder de naam van «Derde Orde van Ongeschoeide Karmelieten», op 8 december 1855, eerste verjaardag van de afkondiging van het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis. Zij telt tegenwoordig meer dan 1500 leden. Toen pater Chavara nog leefde werden er, buiten het klooster van Mannanam, nog zeven andere huizen van de congregatie gesticht.

Een bisschop van hun ritus

Er staat hen ook een beproeving te wachten: in mei 1861, komt bisschop Thomas Rokos in Kerala aan, gezonden door de Chaldeeuwse patriarch van Bagdad om de situatie van de Syro-Malabaarse katholieke Kerk van dat land te onderzoeken. Tot eind XVIe eeuw waren de «christenen van St.-Thomas» inderdaad bestuurd door Chaldeeuwse prelaten uit Mesopotamië. Sindsdien zijn ze onder invloed van de Portugezen opgevolgd door Latijnse prelaten. In 1858 ontstaat een conflict tussen de nieuwe apostolisch vicaris van de Latijnse ritus in Kerala, Mgr. Baccinelli, en Syro-Malabaarse priesters. Deze laatsten geven blijk van hun misnoegen en doen een beroep op de Chaldeeuwse patriarch Josephus VI Audo die aan Rome om toestemming vraagt voor de wijding van een bisschop voor de Syro-Malabaren. Het antwoord is nee, maar de patriarch wijdt niettemin Mgr. Rokos en richt zich vervolgens tot Rome in de hoop de zaak te winnen. Bij aankomst in Kerala, doet Mgr. Rokos zijn best om de katholieken ervan te overtuigen dat zijn missie volgens de regels is geformuleerd, daarbij aanvoerend dat de Chaldeeuwse patriarch door de Heilige Stoel was belast met zijn wijding ten behoeve van hun christenheid. Zijn bedrieglijke argumenten brengen de gelovigen aan het twijfelen en zijn de bron van grote verdeeldheid: de meerderheid van de Syro-Malabaarse parochianen scheidt zich weldra af van hun wettige herder van Latijnse ritus, de apostolisch vicaris van Verapoly, om zich onder het gezag te plaatsen van de bisschop die zich had ingedrongen. Gelovigen en priesters zijn inderdaad heel blij een bisschop te kunnen verwelkomen van hun ritus, hetgeen ze reeds lang wilden en ondersteunen zo goed als ze kunnen de plannen en werkwijzen van Mgr. Rokos. Van de 154 Syro-Malabaarse parochies scharen zich er 86 volledig aan de zijde van bisschop Rokos en 30 ten dele; slechts 38 blijven er trouw aan het wettig gezag.

De geestelijken van pater Chavara sluiten zich echter niet bij dit begin van een schisma aan. Mgr. Rokos probeert dan pater Kuriakose voor zich te winnen en stelt voor dat hij de bisschopswijding doet, maar de nederige monnik antwoordt dat hij zijn ziel wil redden en zeker niet wil worden omgekocht om bisschop te worden. De apostolisch vicaris van Verapoly zoekt van zijn kant ook de steun van pater Chavara door hem tot vicaris generaal voor de Syro-Malabaren te benoemen, met speciale bevoegdheden, in de hoop op die manier de situatie te redden. Hij wilde hem zelfs door Rome tot bisschop laten benoemen, maar aan dat verlangen wordt geen gevolg gegeven. Pater Chavara stuurt de Paus een smeekschrift waarin hij hem vraagt voor de Syro-Malabaren een gedragslijn vast te stellen die zij zouden moeten volgen. Het antwoord van 5 september 1861 stelt duidelijk dat Bisschop Rokos in Kerala is gekomen in weerwil van het verbod van de Apostolische Zetel. Een paar dagen later schrijft patriarch Josephus VI Audo trouwens zelf uit Rome aan Mgr. Rokos om hem te vragen naar Mesopotamië terug te keren.

Pater Chavara en de andere priesters van zijn congregatie gaan aan het werk en trekken van de ene parochie naar de andere om de plannen van Rokos te verijdelen en de gelovigen weer terug te brengen tot gehoorzaamheid aan de enige ware herder, de apostolisch vicaris van Verapoly. Vervolgens slaagt pater Kuriakose er dankzij zijn talent en zijn tact in de bisschoppelijke indringer te doen besluiten het land te verlaten en krijgt de apostolisch vicaris zover dat hij hem het nodige geld verschaft ter betaling van de terugreis. Zo zijn een jaar later alle dissidente parochies aan dit rampzalige schisma onttrokken en teruggekeerd onder de jurisdictie van hun wettige bisschop. Mgr. Rokos, die door de apostolisch vicaris was geëxcommuniceerd, zal zich uiteindelijk ook aan het wettelijk gezag onderwerpen en vergeving verkrijgen. Paus Pius IX zal pater Kuriakose Chavara blijk geven van zijn zeer grote voldoening over het feit dat hij de Kerk de zware schade van een schisma heeft bespaard. Het schisma, zijnde «het zich onttrekken aan het gezag van de Paus of aan de gemeenschap met de onder zijn gezag staande kerkleden» (KKK, n. 2089), schijnt volgens de H. Thomas van Aquino inderdaad de grootste zonde tegen de naaste te zijn (IIa IIae, 39, 2 ad 3).

Absolute trouw

Dat pater Chavara erin is geslaagd dit werk van verzoening, evenals de andere door hem ondernomen werken, tot een goed einde te brengen is bijzonder te danken aan zijn voorzichtigheid, zijn uitzonderlijke gaven, zijn doeltreffende welsprekendheid, maar nog veel meer aan de heiligheid van zijn leven. Zijn vergaande nederigheid, zijn buitengewone naastenliefde en zijn kinderlijke gehoorzaamheid aan zijn bisschop frappeerden ieder die hem heeft gekend. Hij was een man van absolute trouw aan de katholieke Kerk en de Paus. Met tranen in de ogen sprak hij zijn leedwezen uit over de beproevingen en de vervolgingen die de Kerk en de Heilige Vader hadden te verduren. Hij brandde ook van verlangen overal het licht van het Evangelie te laten stralen om de door Christus gewilde Kerk te vestigen.

«Het is onze heilige opdracht, zei Paus Johannes Paulus II tegen de christenen van Kerala, te bouwen aan de enige Kerk door Christus gewild in zijn priesterlijke bede: Dat ze allen één mogen zijn (Joh 17, 21). In haar diepste betekenis is de eenheid van de Kerk een gave van de Vader door Christus, de oorsprong en het middelpunt van de kerkelijke gemeenschap. Christus is degene door wie wij deelnemen aan zijn Geest, en de Geest maakt het hele lichaam levend, maakt het één en beweegt het. Deze innerlijke eenheid komt prachtig tot uiting in de woorden van de Apostel: Eén lichaam en één Geest, zoals u ook geroepen bent tot één hoop, waarvoor Gods roeping borg staat. Eén Heer, één geloof, één doop. Eén God en Vader van allen, die is boven allen, met allen en in allen (Ef 4, 4-6). Schitterend geïnspireerde woorden!

«In feite verkondigen deze woorden de opdracht van de Kerk in iedere tijd en binnen iedere generatie. De heilige plicht van de Kerk is het deze eenheid, die niets anders is dan de volledige trouw aan haar Heer, te bewaren. Zij moet er ook voor zorgen dat deze eenheid wordt hersteld daar waar deze is verzwakt of tanende. Deze fundamentele eenheid sluit in geen geval wettige verscheidenheid uit. U bent de levende getuigen van de verscheidenheid der liturgische en geestelijke tradities en van de kerkelijke discipline die het voorbeeld zijn van de Kerk zoals zij aanwezig is in Kerala...

«Broeders en zusters, wij zijn inbegrepen in die bede van Jezus: Dat ze allen éen mogen zijn. Maar Jezus gaat door en geeft de voorwaarde aan voor deze fundamentele eenheid. In zijn gebed zegt Hij: En voor hen wijd Ik mijzelf toe aan U, opdat ook zij U toegewijd zullen zijn in de waarheid (Joh 17, 19). De eenheid is gegrondvest op de waarheid, op de waarheid van het Woord dat hij heeft geopenbaard, op de waarheid van ieder Woord van de Vader...

«Onze eenheid is de bron van onze vreugde en onze vrede. Anderzijds zijn verdeeldheid en onenigheid en in het bijzonder haat volstrekt tegengesteld aan eenheid. Zij zijn slecht en zijn ten slotte verbonden met de duivel. In hetzelfde gebed heeft Jezus aan de Vader gevraagd zijn discipelen voor het Kwade te behoeden (vgl. Joh 17, 15). De priesterlijke bede die de schoonheid van de eenheid verheerlijkt, wordt dus tegelijkertijd een vurige oproep dat al hetgeen zich tegen de eenheid verzet overwonnen moge worden. Zo wordt de bede een gebed van verzoening» (Preek van 7 februari 1986).

Pater Kuriakose geeft al zijn krachten aan het apostolisch werk van barmhartigheid en verzoening ten behoeve van het eeuwig heil der zielen. In een werkje dat de titel draagt van Testament van een goede vader, componeert hij een soort van gezang ter verheerlijking van de broederliefde. «De dagen dat we aan niemand een dienst hebben bewezen, horen niet gerekend te worden bij de nuttige dagen van ons leven». Wanneer er besmettelijke ziekten heersen nemen veel priesters afstand in acht. Pater Kuriakose daarentegen is altijd bereid zieken te bezoeken, ze troost te brengen en hun de sacramenten toe te dienen. Hij opent een huis om er behoeftigen op te vangen en voor ze te zorgen. De naastenliefde brengt hij echter vooral in praktijk jegens hen die hem slechts bedenken met beledigingen of ondankbaarheid terwijl hij geen enkele wrok koestert tegen hen maar hen juist koestert met een zeer bijzondere genegenheid en hen beziet als zijn weldoeners.

Iets engelachtigs

Om te voldoen aan een wens van zijn apostolisch vicaris, sticht pater Chavara in 1886 een karmelietessen-klooster van de Syro-Malabaarse ritus, dat ten

grondslag ligt aan de «Congregatie van de Moeder van de berg Karmel», die tegenwoordig meer dan 4500 zusters telt. Pater Kuriakose is een man van actie en een onvermoeibare apostel, maar vóór alles een man van gebed, vervuld van de H. Geest; zijn leven wordt gevoed door gebed en zijn gedrukte of handgeschreven werken geven blijk van zijn verbondenheid met God. Tijdens de meditatie van de communiteit, gaat hij zo op in zijn gesprek met God dat hij de tijd vergeet.

Hij vraagt aan zijn communiteit, buiten het dagelijks bidden van de rozenkrans, de heilige wonden van Onze-Lieve-Heer, de weeën van Maria en de vreugden en droefheden van de H. Jozef te eren.

Het grootste deel van zijn vrije tijd brengt hij door voor het Heilig Sacrament. Verzonken in innige beschouwing voor het tabernakel, verandert de aanblik van zijn gezicht en krijgt iets engelachtigs. In de huizen van zijn instituut laat hij het Heilig Sacrament uitstallen tijdens het H. Sacramentsoctaaf. Hij voert in Kerala het gebruik van het veertigurengebed in. Ter herinnering aan de veertig uren die verliepen tussen de dood van Jezus aan het Kruis en zijn Verrijzenis wordt het Heilig Sacrament veertig uur aan een stuk uitgestald. Speciale preken en een geheel van vrome oefeningen bereiden de gelovigen voor op vurigere aanbidding van hun goddelijke Meester in het Sacrament van zijn liefde, en op herstel van de beledigingen die hem zijn aangedaan. Dit gebruik, dat is ingesteld in 1531 door een kapucijner monnik als reactie op de protestanten die de Eucharistie aanvielen, vindt gewoonlijk plaats gedurende de drie dagen die onmiddellijk aan Aswoensdag voorafgaan, karnavalsdagen waarop de mensen van de wereld zich al te vaak aan zondig vermaak overgeven.

Dankzij pater Chavara breidt het gebruik van het veertigurengebed zich uit tot de belangrijke kerken en tot alle religieuze communiteiten van het land. De grote devotie van pater Kuriakose Elias jegens het Heilig Sacrament levert hem de bijnaam «apostel van de Eucharistie» op. Maar in zijn ijver voor de goddelijke eredienst, werkt hij ook aan de herziening van de liturgische boeken met de bedoeling een zekere uniformiteit binnen de verschillende kerken van Syro-Malabaarse ritus te bereiken. Hij schrijft eigenhandig en met grote precisie de hele tekst van een voor priesters bestemd vereenvoudigd brevier dat gemakkelijk te bidden is en laat het uitgeven, evenals de rubrieken van de Hoogmis en de Vespers. Hij levert zodoende een bijdrage aan de herwaardering van de Syro-Malabaarse ritus, echter niet zonder instemming van Rome want, zoals Pius XII later zal schrijven, «de reglementering van de heilige liturgie is volledig afhankelijk van de waardering en de wensen van de Apostolische Zetel». Het is inderdaad zo dat «de gewijde liturgie in eerste instantie door priesters in naam van de Kerk wordt voltrokken waardoor haar reglementering en haar vorm onmogelijk niet van het gezag van de Kerk kan afhangen» (Encycliek Mediator Dei, 20 november 1947).

Eenheid en harmonie

Vanaf 1869 verslechtert de algehele staat van gezondheid van pater Kuriakose alarmerend. Omdat hij begrijpt dat zijn einde nadert, ontvangt hij op 2 januari 1871 de laatste sacramenten. De leden van zijn communiteit staan om hem heen en vragen om een laatste zegen die hij hun geeft terwijl hij ieder woord kalm en duidelijk uitspreekt. Daarna blijft hij in gebed verzonken. Op 3 januari rond half acht, geeft hij de geest.

Ter gelegenheid van de zaligverklaring van pater Kuriakose Elias Chavara, zei Paus Johannes Paulus II: «Geen enkele apostolische zaak was het hart van deze man van geloof dierbaarder dan die van de eenheid en de harmonie binnen de Kerk. Het was alsof hij altijd het gebed van Jezus tijdens de nacht voorafgaand aan zijn Kruisoffer in gedachten had: Dat zij allen één mogen zijn; Zoals u, Vader, in Mij bent en Ik in U, zo moeten zij in Ons zijn (Joh 17, 21). Vandaag gedenkt de Kerk plechtig, met liefde en dankbaarheid, al zijn inspanningen om weerstand te bieden aan de dreigingen van tweedracht en om de geestelijkheid en de gelovigen aan te moedigen de eenheid met de Zetel van Petrus en de universele Kerk te handhaven. Dat hij daarin is geslaagd, evenals in alle andere dingen die hij heeft ondernomen, is zonder enige twijfel te danken aan de intense naastenliefde en aan het gebed die zijn dagelijks leven hebben gekenmerkt, zijn intieme verbondenheid met Christus en zijn liefde voor de Kerk als Zichtbaar Lichaam van Christus op aarde» (8 februari 1986).

Zalige Kuriakose Elias van de Heilige Familie, laat ons weer beseffen dat de Katholieke Kerk een Lichaam is, het lichaam van Jezus en zichtbaar op aarde, dat in eenheid moet blijven gehandhaafd, waar wij zijn en op alle plaatsen die wij kunnen bereiken. En leidt al degenen die ons dierbaar zijn, levenden en overledenen, naar de volmaakte hemelse eenheid.

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques