Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[Esta carta en español]
[Aquesta carta en català]
[Questa lettera in italiano]
27 september 2000
H. Vincentius a Paulo


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

Iemand vroeg eens aan een priester: «Waarom hebben ze u voor gek uitgemaakt? – Denk je niet, antwoordde hij, dat het een beetje gek is midden op straat te beweren dat men heilig kan en moet worden, dat hij die in een wagentje ijs verkoopt, de bediende die zijn tijd in de keuken doorbrengt, de bankdirecteur, de docent aan de universiteit en hij die op het platteland werkt, en hij die koffers op zijn schouders laadt heilig moeten en kunnen worden? Zij zijn allen geroepen tot heiligheid! Het laatste Concilie (Vaticanum II) heeft het nu ook gezegd, maar destijds, in 1928, kwam niemand op het idee. Het was dan ook logisch dat men dacht dat ik gek was...» Die priester was de Zalige Josemaría Escrivá de Balaguer.

«Wat zorgt u goed voor die bloemen!»

«Om God te beminnen en te dienen, verklaarde de Zalige, is het niet noodzakelijk uitzonderlijke dingen te doen. Christus vraagt aan alle mensen zonder uitzondering dat ze volmaakt zijn zoals zijn hemelse Vader volmaakt is (Mt 5, 48). Voor het merendeel der mensheid, veronderstelt heilig zijn hun werk heiligen of zich heiligen in hun werk, de anderen heiligen met hun werk en zoeken God op hun respectieve levenswegen». Toen hij op een dag langs twee tuinlieden liep, zei hij tegen hen: «Wat zorgt u goed voor die planten, al die bloemen... Wat denkt u dat waardevoller is? Uw werk of dat van een minister?» En, daar ze geen antwoord gaven. «Het hangt af van de liefde tot God die u erin stopt. Als u er meer liefde in stopt dan een minister, is uw werk waardevoller».

De heilige Benedictus, de Vader van de monniken van het westen, kende reeds een groot belang toe aan werk. In zijn in de zesde eeuw opgestelde regel verklaart hij dat ledigheid de «vijand van de ziel» is en ziet erop toe dat de monniken altijd bezigheden hebben (hfdst. 48); hij voorziet gebeden om de bezigheden te heiligen (hfdst. 35) en geeft ter aanbeveling alle gerei en bezit van het klooster met dezelfde zorg te behandelen als het vaatwerk dat aan de altaardienst is gewijd (hfdst. 31); hij wenst tenslotte dat zijn zonen de kost verdienen met werk, maar altijd met mate en «opdat God in alles worde verheerlijkt» (hfdst. 48; 57). In onze dagen heeft de zalige Josemaría Escríva de Balaguer er veel toe bijgedragen de «spiritualiteit van de arbeid» opnieuw in het licht te stellen. Geboren op 9 januari 1902, te Barbastro in Aragon (Spanje), als zoon van een stoffenkoopman, krijgt Josemaría vier zusters en een broer. De sfeer in het huisgezin draagt de tekenen van waardigheid en traditie in al haar eenvoud, elegantie, blijheid en godsvrucht. In Barbastro loopt Josemaría school op het college van de religieuzen van de heilige José de Calasanz. Het overlijden van zijn drie zusters, achtereenvolgens in 1911, 1912 en 1913 maakt diepe indruk op hem. In 1915 wordt het gezin getroffen door nog een beproeving: van de handelsonderneming van de vader is niets meer over; ze moeten Barbastro verlaten en gaan naar Logroño waar José Escrivá werk vindt in een andere stoffenwinkel. Het gezin leeft op elkaar gepakt in een kleine woning, met lage plafonds, warm in de zomer en koud in de winter. Maar in de levenswijze verandert er niets, die blijft door en door christelijk, heldhaftig blij, zeer dienstbaar jegens de naasten. Josemaría beëindigt zijn middelbare schooljaren in een instelling in Logroño.

Stappen in de sneeuw

Eind december 1917 merkt hij in de sneeuw de sporen op van een «ongeschoeide» Karmeliet, d.w.z. van een monnik die, door de geest van nederigheid en armoede gedreven, blootsvoets loopt. Dit teken van nederige navolging van de arme Jezus Christus wekt bij Josemaría een vurig verlangen om God te beminnen, een hevige vurigheid in zijn godsvruchtig leven en tenslotte de beslissing priester te worden teneinde zich volledig in Gods handen over te geven. Hij begint zijn studie theologie op het Seminarie van Logroño in 1918. Vervolgens gaat hij in 1920 naar Zaragossa waar zijn vader enkele maanden voor zijn priesterwijding (1925) overlijdt op 27 november 1924. «Ik herinner me van hem geen enkel streng gebaar, schrijft Josemaría: ik heb hem als eeuwig sereen voor ogen, met zijn altijd blij glimlachende gezicht... God heeft gewild dat ik werd geboren in een christelijk huisgezin zoals al degenen in mijn land met voorbeeldige ouders die hun geloof uitoefenden en beleefden en mij daarbij van kindsbeen af een grote mate van vrijheid toestonden, maar tegelijkertijd oplettend over mij waakten. Ze stonden erop mij een christelijke vorming te geven en die heb ik daar beter ontvangen dan op school, ofschoon ze me vanaf mijn derde aan de nonnen en vanaf mijn zevende aan de broeders hebben toevertrouwd».

Sterk door zijn ervaring, opgedaan in de kring van het gezin, zal de zalige Josemaría tegen echtgenoten kunnen zeggen: «Ik kan niet minder doen dan deze menselijke huwelijksliefde zegenen, welke de Heer mij gevraagd heeft te weigeren voor mezelf. Maar van die liefde houd ik bij de anderen, in de liefde tot mijn ouders, die van echtgenoten jegens elkaar. Bemint elkaar dan ook echt! En zoals ik u altijd aanraad: man en vrouw, maak weinig ruzie onder elkaar! Met het geluk kan men beter maar niet spelen... Maak nooit ruzie in het bijzijn van de kinderen; ze letten overal op en vormen onmiddellijk hun oordeel. Ik heb een wonderschone herinnering aan mijn vader en moeder: nooit heb ik ze ruzie met elkaar zien maken. Ze hielden veel van elkaar. Ze hadden vanzelfsprekend wel eens onenigheid. Maar er werd nooit gestreden waar de kinderen bij waren... Bewaar uw schroom tegenover kinderen».

Werk Gods

Op 2 oktober 1928, tijdens een geestelijke retraite, ziet don Josemaría in een gebed het bijzondere werk voor zich waar God hem toeroept: aan de mensen van onze tijd het ideaal van heiliging door volbrenging van de plicht van staat (beroep, gezin, enz.) door te geven. In 1930 doopt hij zijn werk «Opus Dei» (werk Gods), hetgeen in zijn gedachte betekent dat ieder toegetreden lid van zijn werk iets heiligs maakt onder de blik van God. Het Opus Dei is veel verschuldigd aan de familie Escrivá de Balaguer. Men vindt er de eenvoudige blijde gezinssfeer terug waarbinnen de naastenliefde ook genegenheid is en waar ook liefde heerst voor het goed afgeleverde werk: voornaam en altijd met een glimlach, deed de moeder van don Josemaría inderdaad altijd alles tot in de puntjes. Het belang van de in het gezin ontvangen opvoeding tot werken wordt door paus Johannes Paulus II in zijn encycliek Laborem exercens van 14 september 1981 onderstreept: «Het gezin is de eerste interne arbeidsschool voor iedere mens... De arbeid en de werkijver bepalen ook het gehele opvoedingsproces in het gezin, juist omdat iedereen, «mens wordt» onder meer door de arbeid en omdat mens-worden juist het voornaamste doel van het opvoedingsproces uitdrukt» (n. 10).

In 1927 heeft Josemaría zich in Madrid gevestigd; zijn moeder, zijn zuster Carmen en zijn broer Santiago zijn met hem meegekomen. Mevrouw Escrivá de Balaguer zet zich zonder aarzelen in voor het werk dat God door middel van haar zoon volbrengt. «Zonder haar hulp, zal de stichter van het Opus Dei later verklaren, zou het werk met moeite zijn geslaagd». Vanaf 1932 woont de familie Escrivá op nr. 4 van de Martínez Camposstraat. Josemaría ontwikkelt zijn apostolaat vooral onder de jongeren.

God en stoutmoedigheid

Het eerste centrum van het Opus, de DYA Academie wordt in 1933 geopend. De initialen van de academie komen overeen met de studies rechten (Derecho) en («y») architectuur. In werkelijkheid betekent de afkorting voor de stichter: God en stoutmoedigheid (Dios y Audacia). Don Josemaría, de onvermoeibaar harde werker, zal weldra Doctor in Canoniek Recht, in Burgerlijk Recht en Theologie zijn. In 1934 geeft hij een boek uit dat, herzien en uitgebreid, in 1939 zal verschijnen onder de titel «De weg» en dat in 1993 de volgende oplagen zal halen: 3.818.228 exemplaren, 272 edities in 39 talen. Het werk bevat 999 gedachten die een veelvoud zijn van drie, ter ere van de Heilige Drie-eenheid.

In de loop van de eerste maanden van de Spaanse Burgeroorlog die op 18 juli 1936 uitbreekt, blijft don Escrivá de Balaguer in Madrid op gevaar van eigen leven. Eind 1937 steekt hij te voet de Pyreneeën over en komt in Andorra aan in gezelschap van een groepje getrouwen van het eerste uur. Vervolgens begeeft hij zich naar Burgos, in de «nationalistische» zone en keert in 1939 naar Madrid terug wanneer de vijandelijkheden voorbij zijn. Op 9 maart 1941 verleent de bisschop van Madrid, die door Josemaría voortdurend is geraadpleegd, zijn goedkeuring aan het Opus Dei als «Vrome Unie». De stichter heeft altijd het persoonlijk apostolaat van vriendschap en vertrouwen aanbevolen en beoefend. De ontwikkeling van het werk brengt echter «familiereünies» met zich mee waaraan soms meer dan 5000 personen deelnemen. Dankzij een bijzondere genade van God vormt het groot aantal deelnemers geenszins een beletsel voor werkelijke intimiteit van eenieder met de Eerwaarde Josemaría.

Een arts uit Cadiz was voortdurend slecht geluimd wanneer hij werd geconsulteerd op het ziekenfondskantoor. Op een dag woont hij een lezing van don Escrivá de Balaguer bij. «Van nu af aan, zegt hij dan tegen zijn vrouw, ga ik iedere zieke behandelen alsof ik zijn eigen moeder was». Dit is één van de duizenden voorvallen die zich sinds 2 oktober 1928 voordoen.

Het evangelie van de arbeid

De spiritualiteit van de zalige Josemaría vindt haar grondslag in de Heilige Schrift: «Vanaf het begin van de Schepping, heeft de mens moeten werken, beweert hij. Ik verzin het niet zelf, slaat u de heilige Bijbel maar open. Al op de eerste bladzijden – zelfs voor de zonde in de mensheid opduikt... –, kan men er lezen dat God Adam maakte met het leem van de bodem en voor hem en zijn nakomelingschap deze heerlijke wereld schiep opdat hij hem zou bewerken en beheren (Gn 2, 15)... Wij moeten er dus volledig van overtuigd zijn dat arbeid iets prachtig is, dat zich aan ons oplegt als een onverbiddelijke wet waaraan wij allen op de een of andere wijze ondergeschikt zijn... Onthoud dit goed: deze verplichting is niet het gevolg van de erfzonde en het is nog minder een vondst van de moderne tijd. Het is een noodzakelijk middel dat God ons toevertrouwt op deze aarde, waarbij onze levensduur wordt verlengd en waarbij wij ook worden betrokken bij zijn scheppende kracht, opdat wij, de vruchten voor het eeuwige leven (Joh 4, 36) oogstend, ons voedsel verdienen: de mens is geboren om te werken zoals de vogels om te vliegen (Job 5, 7)».

Paus Johannes Paulus II vestigt ook de aandacht van de gelovige op deelname van de mens aan de werken van God: «Deze waarheid volgens welke de mens door zijn arbeid deelneemt aan het werk van God, zijn schepper, heeft Jezus Christus op bijzondere wijze doen uitkomen, die Jezus wiens talrijke toehoorders in Nazaret verbaasd vroegen: «Waar heeft Hij dat vandaan? En wat is dat voor een wijsheid die Hem geschonken is? En wat zijn dat voor wonderen die zijn handen verrichten. Is dat niet de timmerman...?» (Mc 6, 2-3) In feite verkondigde Jezus en bracht Hij op de eerste plaats het Evangelie in praktijk dat Hem , door de woorden van de eeuwige Wijsheid, was toevertrouwd. Daarom gaat het werkelijk om het «Evangelie van de arbeid» want Hij die het verkondigde was zelf een arbeider, een werkman zoals Jozef van Nazaret. Ook al vinden we in de woorden van Christus niet de speciale opdracht tot werken..., toch getuigt zijn leven met ondubbelzinnige welsprekendheid dat Hij behoort tot de «arbeiderswereld»; Hij waardeert en eerbiedigt de arbeid van de mens. Men mag zelfs zeggen: Hij beziet met liefde de arbeid in zijn diverse uitdrukkingsvormen omdat Hij in elk daarvan een speciale uiting ziet van de gelijkenis van de mens met God, Schepper en Vader. Is Hij het niet die zegt: Mijn vader is de wijngaardenier? (Jn 15, 1) In zijn parabels over het Koninkrijk Gods verwijst Jezus Christus voortdurend naar de arbeid: die van de herder, van de boer, van de arts, van de zaaier, de huisvader, de dienaar, de rentmeester, de visser, de koopman, de werkman. Ook wordt er gesproken over de verschillende werkzaamheden van de vrouw. Hij stelt het apostolaat voor door te verwijzen naar het voorbeeld van de handenarbeid van de maaiers of van de vissers. Hij verwijst ook naar het werk van de Schriftgeleerden». (Laborem exercens, 26).

Kantwerk van steen

Als deelname aan het werk Gods, moet de menselijke arbeid zo goed mogelijk worden volbracht: «Als wij ons best doen om, dag in dag uit, onze persoonlijke verplichtingen onder ogen te zien als een goddelijk verzoek, zei de zalige Josemaría, zullen we leren ons werk met de grootste menselijke en bovennatuurlijke perfectie, waartoe wij in staat zijn, af te maken». Op zijn wandelingen met jongeren in Burgos, ging de priester graag langs de kathedraal. «Ik beklom graag een van de torens, zei hij, om hen van nabij het dakgewelf te laten bekijken, echt kantwerk van steen, vrucht van geduldige, moeizame arbeid. In de loop van die gesprekken maakte ik hen opmerkzaam dat men van beneden dit wonder niet waarnam; ter verduidelijking van wat ik hun zo vaak had uitgelegd, zei ik vervolgens: ziedaar de arbeid van God, ziedaar het werk Gods! Je werk met perfectie voltooien, met schoonheid en gratie in het kleinste onderdeel van dit fijne kantwerk van steen. Staande voor deze realiteit die voor zichzelf sprak, begrepen ze, dat dit alles gebed was, schitterende dialoog met de Heer. Zij die hun krachten hebben opgebruikt bij het volbrengen van deze taak, wisten drommels goed dat hun inspanning niet kon worden gewaardeerd vanuit de straten van de stad.Die was enkel en alleen voor God. Begrijp je nu dat roeping tot een bepaald beroep iemand dichter bij God kan brengen?»

Maar sedert de erfzonde, gaat arbeid niet zonder moeite: «laten we onze ogen niet sluiten voor de werkelijkheid, door ons tevreden te stellen met een naïeve en oppervlakkige voorstelling van zaken die ons zou kunnen doen denken dat de weg die ons wacht gemakkelijk is en dat het, om deze af te leggen, volstaat dat we oprechte voornemens hebben en een vurig verlangen God te dienen», zei don Josemaría. Als commentaar op de woorden: In het zweet uws aanschijns zult ge uw brood verdienen (Gn 3, 19), verklaart Paus Johannes Paulus II: «Deze woorden verwijzen naar de somtijds drukkende vermoeienis die sedertdien de menselijke arbeid vergezelt. Deze vermoeienis is een universeel gekend feit, omdat ze universeel wordt ervaren. Zij, die onder soms uitzonderlijk moeilijke omstandigheden lichamelijke arbeid moeten verrichten, weten dit maar al te goed. De mensen die zich toeleggen op intellectueel werk, de wetenschapsmensen, ook de mensen die op hun schouders de zware verantwoordelijkheid dragen beslissingen te moeten nemen die grote gevolgen hebben op sociaal gebied, weten dit zeer goed. Zo ook de dokters en de verplegers die dag en nacht bij de zieken waken. De vrouwen die soms onvoldoende waardering van de maatschappij en van hun eigen verwanten krijgen, en iedere dag de verantwoordelijkheid voor hun gezin en de opvoeding van hun kinderen dragen weten het. Ja, alle arbeiders weten dit zeer goed en omdat arbeid een universele roeping is kan men zelfs zeggen dat alle mensen dit weten» (Laborem exercens, 9).

Arbeid of gebed?

Het lijden dat arbeid vaak met zich meebrengt kan een gelegenheid zijn zich te verenigen met het lijden van Christus: «Door de moeite van de arbeid te verdragen in vereniging met Christus die voor ons werd gekruisigd, werkt de mens op een of andere wijze met Gods Zoon mee aan de verlossing van de mensheid. Hij toont zich de ware volgeling van Jezus door op zijn beurt iedere dag (cf. Lc 9, 23) in zijn activiteit het kruis te dragen dat het zijne is». (Id., 27).

De vereniging met Jezus die het kruis draagt bevordert het omvormen van arbeid in gebed. «Wees ervan overtuigd dat het niet moeilijk is uw arbeid te veranderen in een biddende samenspraak! verklaart de Zalige Josemaría. Biedt het aan en zet u aan het werk en zie hoe God naar u luistert en u aanmoedigt. We bereiken de hoogte van contemplatieve zielen terwijl we toch geheel door onze dagelijkse taak in beslag worden genomen, doordrongen als we zijn van de zekerheid dat Hij ons ziet en ons tevens vraagt een nieuwe overwinning op ons zelf te behalen; een klein offer, een glimlach naar de persoon die u lastig valt; de inspanning om voorrang te geven aan het minst aangename maar dringendste werk; de zorg voor orde tot in de details; de volharding in het volbrengen van de plicht terwijl het zo gemakkelijk zou zijn die te laten varen; de wil niet tot de volgende dag uit te stellen wat men op de dag zelf moet afmaken en, dat alles om God, onze Vader, genoegen te doen!»

Zo, vervolgt don Josemaría, «zult u dankzij uw werk bijdragen tot de verbreiding van het koninkrijk van Christus in alle werelddelen. En dat zal een opeenvolging van aangeboden uren van arbeid zijn, het ene na het andere, voor de verre volken die tot het geloof worden geboren, voor de oosterse volken die op ruwe wijze worden verhinderd in vrijheid hun geloof te belijden, voor de landen met een oude christelijke traditie waar het lijkt of het licht van het Evangelie is verduisterd en de zielen rondspartelen in de schemer van onwetendheid».

Maar de arbeid in het beroep is niet het enige middel ter heiliging. Heiligheid is eveneens bereikbaar voor hen die niet of niet meer de mogelijkheid bezitten hun talenten aan te wenden binnen een beroep (gepensioneerden, zieken, werklozen...). «Met Christus die voor het heil van de wereld heeft willen lijden, mogen al degenen zich heel in het bijzonder verbonden achten, die onder armoede, ziekte, zwakheid en allerlei kwalen gebukt gaan of omwille van de gerechtigheid vervolging lijden... Aldus zullen de christengelovigen iedere dag meer worden geheiligd, als zij alles met geloof uit de hand van de hemelse Vader aanvaarden en met de wil van God medewerken» (Lumen gentium, 41).

«Alleen Jezus laten schitteren»

Op 8 november 1946 vestigt don Josemaría zich te Rome. Een paar maanden later wordt hij tot Prelaat benoemd en ontvangt voortaan de aanspreektitel van «Monseigneur». Na een zeer actief leven, sterft hij plotseling in zijn kantoor op 26 juni 1975 en verdwijnt even «onopvallend» als hij altijd gewenst heeft te zijn. Het is paradoxaal te noemen dat deze priester, die als ideaal had zich te «verbergen en te verdwijnen om Jezus alleen te laten schitteren», een invloed heeft uitgeoefend van tamelijk ongewone omvang, door diegenen die willen groeien in hun vriendschap met God te helpen om van de talrijke omstandigheden binnen hun alledaagse leven, binnen hun gezin en hun werk, evenvele gelegenheden te maken voor een ontmoeting met Christus. Zijn leven, «doordrongen van christelijk humanisme en getekend met het unieke zegel van de goedheid, de zachtheid des harten, het verborgen leed waardoor God hen die hij heeft gekozen zuivert en heiligt» (Johannes Paulus II), heeft zo'n apostolische uitstraling gehad dat 69 kardinalen, 1228 bisschopen en 41 Oversten van religieuze ordes zijn zaligverklaring hebben aangevraagd.

Op 17 mei 1992 verklaart Zijne Heiligheid Paus Johannes Paulus II Monseigneur Josemaría Escrivá de Balaguer zalig en benadrukt daarbij zijn grote devotie tot de Maagd Maria. Zijn leven lang heeft Josemaría eveneens de heilige Jozef vereerd, zijn patroonheilige. Laten wij ook het hoofd van de Heilige Familie eren met het fraaie door paus Pius X gemaakte gebed:

«Heerlijke heilige Jozef, voorbeeld van allen die de arbeid zijn toegewijd, verkrijg voor mij de genade te werken in de geest van penitentie ter boetedoening voor mijn talloze zonden; in geweten te werken waarbij de plicht wordt verheven boven mijn menselijke zwakheden; te werken in erkentelijkheid en vreugde en het als een eer te beschouwen de van God ontvangen gaven door de arbeid te gebruiken en te ontwikkelen; te werken in ordelijkheid, vrede en met matigheid en geduld, zonder ooit voor moedeloosheid en moeilijkheden terug te deinzen; te werken vooral met zuiverheid van bedoelingen en met wegcijfering van mezelf, daarbij onophoudelijk de dood en de rekenschap die ik zal moeten afleggen voor de verloren tijd, de ongebruikte talenten, voor het nagelaten goede en het ijdele welbehagen in het succes dat zo funest is voor het werk Gods, voor ogen te houden. Alles voor Jezus! Alles voor Maria! Alles naar uw voorbeeld, heilige Jozef! Dat zal mijn devies zijn tijdens mijn leven en in het uur van mijn dood. Amen».

Zalige Josemaría, bid voor ons en voor al degenen die ons dierbaar zijn, de levenden en de overledenen.

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques