Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Aquesta carta en català]
[Questa lettera in italiano]
24 augustus 2000
H. Bartolomeus


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

Wat voor de wereld zwak is, heeft God uitgekozen om het sterke te beschamen; wat voor de wereld van geringe afkomst is en onbeduidend, heeft God uitgekozen... opdat niemand zich op zichzelf zou beroemen tegenover God (1 Kor, 1, 27-29). «God heeft een eenvoudig boerenmeisje van arme afkomst uitgekozen en verheerlijkt. Hij heeft haar verheerlijkt met de kracht van zijn Geest... Beminde broeders en zusters! Kijkt naar Maria Goretti; kijkt naar de Hemel die zij heeft bereikt door heldhaftig de geboden in acht te nemen en waar zij zich bevindt in de heerlijkheid van de heiligen... Zij is een vreugde voor de Kerk geworden en een bron van hoop voor ons», zei paus Johannes Paulus II op 29 september 1991.

De Heilige Vader sprak deze woorden uit op het eind van de honderdste verjaardag van de geboorte van de heilige Maria Goretti. Zij zag het levenslicht op 16 oktober 1890, te Corinaldo in de provincie Ancona in Italië, in een gezin zonder aardse bezittingen, maar rijk aan geloof en deugden: elke dag gemeenschappelijk gebed en de rozenkrans; zondagsmis en heilige communie. Maria is het derde kind van Luigi Goretti en Assunta Carlini. Daags na haar geboorte wordt ze gedoopt en aan de Heilige Maagd toegewijd. Het Vormsel zal haar worden toegediend wanneer ze zes is.

Na de geboorte van zijn vierde kind, emigreert Luigi Goretti, te arm om in zijn land van oorsprong te overleven, met zijn gezin naar de, destijds nog ongezonde, uitgestrekte vlakten van het platteland rondom Rome. Hij vestigt zich te Le Ferriere di Conca, in dienst van graaf Mazzoleni. Daar geeft Maria er al weldra blijk van een vroegtijdig intelligent meisje met een juist oordeel te zijn. Nooit wordt ze betrapt op grilligheid, ongehoorzaamheid of op een leugen. Het is werkelijk de engel van het gezin.

Na een jaar van uitputtende arbeid, wordt Luigi getroffen door een ziekte die hem na tien dagen wegrukt. Voor Assunta en haar kinderen begint een lange lijdensweg. Maria huilt vaak om de dood van haar vader en maakt van elke gelegenheid gebruik om neer te knielen voor het hek van het kerkhof: haar vader is misschien in het Vagevuur en daar ze geen geld heeft om missen te laten lezen voor zijn zielenrust, probeert ze het met bidden te compenseren. Laten we niet denken dat het kind de goedheid geheel van nature in praktijk brengt. Haar verbazingwekkende vooruitgang is de vrucht van het gebed. Haar moeder zal opmerken dat de rozenkrans welhaast een noodzaak voor haar was geworden en ze draagt hem inderdaad altijd om haar pols gewikkeld bij zich. Uit de aanschouwing van het kruisbeeld put ze een innige liefde tot God en een diepe afschuw van de zonde.

«Ik wil Jezus»

Maria hunkert naar de dag waarop ze de heilige Eucharistie zal ontvangen. Naar de gewoonte van die tijd moet ze wachten tot de leeftijd van elf jaar. «Mama, vraagt ze op een dag, wanneer zal ik mijn Communie doen?... Ik wil Jezus. – Hoe wil je die doen? Je kent je catechismus niet, je kan niet lezen, we hebben geen geld om een jurk voor je te kopen, en schoenen en een sluier en we hebben geen ogenblik vrij. – Mama, ik zal dus nooit mijn Communie doen! En ik wil niet meer zonder Jezus leven! – Maar wat wil je dat ik doe? Ik kan onmogelijk aanzien dat je ter communie gaat als een meisje dat van niets weet». Uiteindelijk vindt Maria het middel zich voor te bereiden met de hulp van iemand uit de buurt. Het hele dorp schiet te hulp om voor kleren te zorgen voor het communicantje. Ze ontvangt de Eucharistie op 29 mei 1902.

Het tot zich nemen van het Engelenbrood vermeerdert in Maria de liefde voor de zuiverheid en maakt dat ze het besluit neemt tot elke prijs deze engelachtige deugd te bewaren. Nadat ze op een dag onfatsoenlijke woorden heeft opgevangen die werden gewisseld tussen een jongen en een van diens vriendinnen zegt ze verontwaardigd tegen haar moeder: «Mama, wat praat dat meisje lelijk! – Let er goed op dat je nooit aan dergelijke gesprekken deelneemt. – Geen denken aan, mama; als ik dat zou doen, ging ik liever...» en het woord «dood» blijft op haar lippen liggen. Een maand later zal ze met haar bloed de zin afmaken...

Wanneer hij in dienst treedt bij graaf Mazzoleni, werkt Luigi Goretti samen met Jean Serenelli en zijn zoon, Alessandro. De twee gezinnen hebben gescheiden woningen, maar een gemeenschappelijke keuken. Weldra betreurt Luigi dit samengaan met Jean Serenelli, een personage zo verschillend van de zijnen, drinkt en praat zonder enige terughoudendheid. Na zijn dood zijn Assunta en haar kinderen onder het juk van de

despotische familie Serenelli gekomen. Maria, die de situatie, heeft begrepen, doet haar best een steun voor haar moeder te zijn: «Moed houden, mama, wees niet bang, wij worden groot. Als Onze-Lieve-Heer ons maar gezondheid schenkt. De Voorzienigheid zal ons helpen. We zullen strijden en nog eens strijden!»

Gezien ze, sedert de dood van haar man, altijd op de akker is, heeft mevrouw Goretti geen tijd om zich met het huishouden of de godsdienstige vorming van de kleintjes bezig te houden. Maria belast zich overal mee, zoveel als ze kan. Bij de maaltijden gaat ze pas zitten als iedereeen is bediend en neemt voor zichzelf slechts de restjes. Haar dienstvaardigheid strekt zich ook tot de familie Serenelli uit. Jean, wiens vrouw in het psychiatrisch ziekenhuis van Ancona is overleden, houdt zich van zijn kant nauwelijks bezig met zijn zoon Alessandro, een stevige snuiter van negentien jaar, grof in de mond, gemeen, die er genoegen in schept zijn kamermuur te behangen met obscene afbeeldingen en slechte boeken te lezen. Op zijn sterfbed heeft Luigi Goretti het gevaar voorvoeld van de omgang van zijn kinderen met die van de familie Serenelli en onophoudelijk heeft hij tegen zijn echtgenote gezegd: «Assunta, keer terug naar Corinaldo!» Jammergenoeg zit Assunta in de schuld en is ze contractueel gebonden aan de pacht.

Een onbevlekte lelie

Door het contact met het gezin Goretti zijn bij Alessandro enige religieuze gevoelens ontwaakt. Hij doet soms mee aan het rozenhoedje dat in gezinsverband wordt gebeden; op feestdagen woont hij de Mis bij, gaat zelfs van tijd tot tijd biechten. Dat neemt niet weg dat hij Maria onfatsoenlijke voorstellen doet, die zij aanvankelijk niet begrijpt. Wanneer ze vervolgens vermoedt welke perverse bedoelingen de jongen heeft, is het meisje op haar hoede en slaat zowel vlijerij als dreigementen van zich af. Ze smeekt haar moeder haar niet meer alleen thuis te laten, maar durft haar moeder niet duidelijk te zeggen waarom ze zo bang is, want Alessandro heeft haar gewaarschuwd: «Als je je moeder iets verklapt, maak ik je dood». Haar enige toeverlaat is het gebed. Daags voor haar dood, vraagt Maria, met tranen in de ogen, nog haar moeder om haar niet alleen te laten. Gezien ze geen andere uitleg kreeg, denkt mevrouw Goretti aan een gril en hecht aan dit herhaalde verzoek geen belang.

Op 5 juli worden de bonen gedorst op de akker, een veertigtal meters van het woonhuis. Alessandro bestuurt een kar die door ossen wordt getrokken en laat hem keren en nog eens keren om de bonen die op de grond liggen uitgespreid. Tegen drie uur in de middag, wanneer Maria alleen thuis is, vraagt Alessandro: «Assunta, zou u even voor mij de ossenkar kunnen sturen?» Zonder enig wantrouwen doet de vrouw wat haar wordt gevraagd. Maria zit op de drempel van de keuken en verstelt een hemd van Alessandro dat hij haar na de maaltijd had toevertrouwd en past tevens op haar kleine zusje Teresina dat dicht bij haar ligt te slapen.

«Maria! schreeuwt Alessandro – Wat wil je? – Ik wil dat je met me meegaat. – Waarom? – Ga met me mee! – Zeg wat je van me wilt, anders ga ik niet met je mee». Aangezien ze weerstand biedt, pakt de jongen haar gewelddadig bij de arm en sleept haar mee naar de keuken en doet de deur op slot. Het kind schreeuwt maar het geluid dringt niet tot buiten door. Wanneer het hem niet lukt zijn slachtoffer op de knieën te krijgen, knevelt Alessandro haar en zwaait met een dolk. Maria beeft maar bezwijkt niet. Woedend probeert de jongeman haar met geweld de kleren van het lijf te rukken. Maria weet zich van de doek voor haar mond te ontdoen en schreeuwt: «Doe dat niet... Het is een zonde... Je zult naar de hel gaan». Gods oordeel kan hem weinig schelen want hij houdt zijn wapen in de lucht: «Als je niet wilt, maak ik je dood». Gezien ze weerstand blijft bieden, doorboort hij haar met dolksteken. Het kind roept uit: «Mijn God! Mama!» en valt op de grond. Daar hij denkt dat ze dood is, gooit de moordenaar zijn wapen weg en opent de deur om te vluchten wanneer hij hoort dat ze nog kreunt. Hij keert op zijn schreden terug, pakt zijn wapen weer op en doorklieft haar nogmaals door en door, vervolgens klimt hij naar boven, naar zijn eigen kamer en sluit zich daar op.

Maria heeft veertien ernstige verwondingen opgelopen; zij is bewusteloos. Wanneer ze weer bij kennis komt, roept ze meneer Serenelli: «Jean! Alessandro heeft me gedood... Kom...» Bijna tegelijkertijd slaakt de kleine Teresina die wakker is geworden van het lawaai, een ijle kreet, die moeder Goretti hoort. Geschrokken zegt zij tegen haar jonge zoon Mariano: «Ga vlug Maria halen; zeg dat Teresina haar roept». Op dat moment loopt Jean Serenelli de trap op en wanneer hij het afschuwelijke tafereel aanschouwt, roept hij uit: «Assunta en jij ook Mario, kom!» Mario Cimarelli, een landarbeidster, klimt met vier treden tegelijk de trap op. Op haar beurt komt ook de moeder aan: «Mama! kreunt Maria – Wat is er gebeurd? – Alessandro heeft me kwaad willen doen!» De dokter wordt geroepen en de gendarmes komen juist op tijd aan om de zeer opgewonden buren te beletten Alessandro ter plekke af te maken.

Geen druppel water!

Na een lange en zeer vermoeiende route per ambulance, komt men tegen achten in het ziekenhuis aan. De artsen zijn verbaasd dat het kind niet aan haar verwondingen is bezweken: het hartzakje, het hart zelf, de linker long, het middenrif, de darm zijn allemaal geraakt. Daar ze zien dat ze is opgegeven, wordt de aalmoezenier geroepen. Maria biecht met volledige helderheid van geest. Vervolgens dienen de artsen haar twee uur lang hun behandeling toe, zonder narcose. Maria laat geen zucht horen. Ze blijft voortdurend bidden en biedt haar lijden aan de Allerheiligste Maagd, Moeder der Smarten, aan. Haar moeder wordt aan haar bed toegelaten. Maria vindt de kracht om haar te troosten: «Mama, lieve mama, het gaat goed met mij nu!... Hoe gaat het met de broertjes en zusjes?»

Maria heeft een vreselijke dorst: «Mama, geef me een druppel water. – Arme Maria, de dokter wil het niet, dat zou je alleen nog maar meer kwaad doen». Verbaasd vervolgt Maria: «Is het mogelijk dat ik nog geen druppel water kan krijgen!» Ze werpt een blik op Jezus aan het kruis die, Hij ook, had gezegd: «Ik heb dorst», en zwijgt gelaten. De aalmoezenier van het ziekenhuis staat haar vaderlijk ter zijde. Op het moment dat hij haar de Heilige Communie wil geven, ondervraagt hij haar: «Maria, vergeeft u van ganser harte uw moordenaar?» Ze onderdrukt een spontaan opkomend gevoel van walging en antwoordt vervolgens: «Ja, ik vergeef hem om de liefde tot Jezus... en ik wil dat hij ook samen met mij het Paradijs ingaat... Ik wil hem aan mijn zijde hebben... Dat God hem vergeve, omdat ik hem al vergeven heb...» In deze gemoedstoestand, die van Christus zelf op de Calvarieberg, ontvangt ze de Eucharistie en het Laatste Oliesel, sereen, kalm, nederig in haar heldhaftige victorie. Het einde nadert. Men hoort haar roepen: «Papa». Na een laatste bede tot Maria treedt ze tenslotte binnen in de onmetelijke vreugde van het Paradijs. Op 6 juli 1902, om drie uur 's middags.

«U verdoet uw tijd, Monseigneur»

Drie maanden na het drama vindt het proces tegen Alessandro plaats. Hij wordt tot dertig jaar dwangbeid veroordeeld. Maar Maria vergeet hem niet. Een paar jaar later krijgt Mgr. Blandini, bisschop van het diocees waar zich de gevangenis bevindt, de ingeving de moordenaar te bezoeken om hem tot berouw te brengen. «U verdoet uw tijd, Monseigneur, beweert de bewaker, het is een harde!» Alessandro ontvangt de bisschop al mopperend. Maar wanneer hij terugdenkt aan Maria, aan haar heldhaftige vergeving, aan de goedheid en de oneindige barmhartigheid van God, laat hij zich raken door de genade. Bij het vertrek van de prelaat huilt hij in de eenzaamheid van zijn cel, tot stomme verbazing van zijn bewakers.

Op een nacht verschijnt Maria hem in een droom, in het wit gekleed in de fleurige tuinen van het Paradijs. Diep onder de indruk, schrijft Alessandro aan Monseigneur Blandini: «Ik betreur mijn misdaad des te meer nu ik me realiseer een arm onschuldig meisje het leven te hebben ontnomen, een meisje dat tot op het laatste moment haar eer heeft willen redden, eerder zichzelf opofferend dan te bezwijken voor mijn misdadige wil. Ik vraag openlijk vergeving aan God en aan het arme gezin om de grote misdaad die ik heb begaan. Ik wil hopen dat ook ik zoals zovele anderen op deze aarde vergeving zal verkrijgen». Zijn oprechte spijt en zijn goede gedrag in de strafinstelling worden beloond met vrijlating, vier jaar voor zijn straf ten einde loopt. Hij vindt dan een betrekking als tuinman in een klooster van kapucijnen en gedraagt zich daar voorbeeldig. Hij wordt toegelaten tot de Derde Orde van de H. Franciscus.

Dankzij zijn positieve instelling, wordt Alessandro opgeroepen om te getuigen tijdens het proces ter zaligverklaring van Maria. Het is voor hem erg delikaat en pijnlijk. Hij bekent echter: «Ik heb iets goed te maken en ik moet alles doen wat in mijn vermogen ligt om haar te verheerlijken. Het kwaad is geheel aan mijn kant. Ik heb me laten gaan in brute hartstocht. Zij is een heilige. Ze is een echte martelares. Zij is een van de eersten in het Paradijs, na hetgeen ze van mij te lijden heeft gehad».

Op Kerstdag 1937 gaat hij naar Corinaldo waar Assunta Goretti zich met de kinderen heeft teruggetrokken, uitsluitend om het weer goed te maken en aan de moeder van het slachtoffer vergeving te vragen. Nauwelijks staat hij voor haar of hij vraagt al huilende: «Assunta, zult u mij vergeven? – Maria heeft u vergeven, zou ik u niet ook kunnen vergeven?» stamelt zij. De inwoners van Corinaldo zijn niet weinig verbaasd en ontroerd om op Kerstdag Alessandro zij aan zij met Assunta De Eucharistische Tafel te zien naderen.

«Kijk naar haar!»

De uitstraling van Maria Goretti, door paus Pius XII op 26 juni 1950 heiligverklaard, zet zich voort tot op de dag van vandaag. Paus Johannes Paulus II stelt haar speciaal als voorbeeld voor de jongeren: «Onze roeping om heilig te worden, welke de roeping is van iedere gedoopte, wordt gesterkt door het voorbeeld van deze jonge martelares. Kijkt naar haar, vooral jullie adolescenten, jullie jongeren. Weest zoals zij, in staat om de zuiverheid van het hart en van het lichaam te verdedigen; spant je in om te strijden tegen het kwaad en de zonde, door jullie gemeenschap met de Heer te voeden door het gebed, de dagelijkse beoefening van versterving en het nauwgezet in acht nemen van de geboden» (29 september 1991).

Het volledig in acht nemen van de geboden is een vrucht van de liefde. Met de hulp van de goddelijke genade is het altijd mogelijk de geboden te onderhouden. «God gebiedt geen onmogelijke dingen, maar met zijn gebod nodigt Hij je uit te doen wat je kan en te vragen wat je niet kan en Hij helpt je opdat je het wel kan. Zijn geboden zijn niet moeilijk te onderhouden (1 Joh 5, 3), zijn juk is zacht en zijn last is licht (vgl. Mt 11, 30)» (Concilie van Trente, zitting VI, hfdst. 11). De deugd van de hoop wordt de mens onophoudelijk aangeboden. In het Kruis van Jezus, in de gave van de H. Geest en in de sacramenten (in het bijzonder de Biecht en de Eucharistie) vindt hij de kracht trouw te zijn aan zijn Schepper, zelfs in de grootste moeilijkheden (vgl. Veritatis splendor, 103).

Door de martelaren tot de altaarhonneurs te verheffen, «heeft de Kerk hun getuigenis heiligverklaard en hun oordeel waar verklaard, volgens hetwelk de liefde tot God de verplichting impliceert zijn geboden, ook in de zwaarste omstandigheden, te respecteren en te weigeren ze te verraden, ook al heeft men de intentie het eigen leven te redden» (Veritatis splendor, 91). Het is zeker dat weinig mensen geroepen zijn het martelaarschap van het bloed te ondergaan. Maar, ten opzichte van de talrijke moeilijkheden die ook in de meest normale omstandigheden trouw kunnen verlangen aan de morele orde, is iedere christen geroepen, met de genade van God bekomen door het gebed, tot een soms heroïsche inzet, die wordt gesteund door de deugd van de sterkte, waardoor hij, zoals Gregorius de Grote leert, zelfs «de moeilijkheden van deze wereld met het oog op de eeuwige beloning kan liefhebben» (id., 93).

De Paus is dan ook niet bevreesd tegen de jongeren te zeggen: «Weest niet bang om tegen de stroom in te gaan, om de afgoden van de wereld te verwerpen». En legt dan uit: «Door de zonde, keert men zich af van God, ons enig goed, en men kiest ervoor zich te schikken aan de zijde van de «afgoden» die ons naar de dood voeren en naar de eeuwige verdoemenis, naar de hel.» Maria Goretti «moedigt ons aan de vreugde te ervaren van de armen die van alles afstand weten te doen op voorwaarde dat ze niet het enig noodzakelijke verliezen: de vriendschap met God... Beste jongeren, luistert naar de stem van God die jullie roept, ook jullie, op de smalle weg naar de heiligheid» (29 september 1991).

De heilige Maria Goretti brengt ons in herinnering dat de «smalle weg naar de heiligheid» loopt via de trouw aan de deugd van kuisheid. In onze tijd wordt de kuisheid vaak geweld aangedaan en geminacht. Kardinaal López Trujillo schrijft: « Voor sommige mensen die zich in kringen bevinden waarin de kuisheid wordt beledigd en in diskrediet gebracht, kan leven op kuise wijze een harde en soms heroïsche strijd verlangen. In elk geval kan iedereen, met de hulp van de genade van Christus, die voortvloeit uit zijn liefde van Echtgenoot voor de Kerk, op kuise wijze leven, zelfs wanneer men zich in weinig gunstige omstandigheden bevindt» (Waarheid en betekenis van de menseliike seksualiteit, Pauselijke Raad voor het Gezin, 8 december 1995, n. 19).

Een lang en langzaam martelaarschap

Kuisheid bewaren impliceert het weigeren van bepaalde gedachten, woorden en daden die tot zonde aanleiding geven evenals het uit de weg gaan van gelegenheden tot zondigen. De Katechismus van de Katholieke Kerk zegt: «Ofwel beheerst de mens zijn hartstochten en bereikt vrede, ofwel laat hij zich erdoor beheersen en wordt ongelukkig» (KKK, 2339). Het is dan ook noodzakelijk een levensregel te volgen die «sterkte en voortdurende aandacht, evenals een moedig verzaken van alle wereldse bekoringen verlangt. Wij moeten blijk geven van onophoudelijke waakzaamheid waarvan we onder geen beding moeten afzien... tot aan het eind van onze aardse levensweg. Het gaat hier om een strijd tegen zichzelf die we kunnen vergelijken met een lang en langzaam martelaarschap. Het Evangelie roept ons duidelijk op tot deze strijd: Het koninkrijk der hemelen lijdt geweld en geweldenaars lopen het onder de voet (Mt 11, 12)» (Johannes Paulus II, id.).

Om een gunstig klimaat te scheppen voor de kuisheid, is het van belang bescheidenheid en zedigheid te beoefenen in ons spreken, handelen en kleden. Via deze deugden wordt de menselijke persoon geëerbiedigd en bemind om hemzelf, in plaats van te worden bekeken en behandeld als voorwerp van lust. Zo zien ouders erop toe dat bepaalde modes zich geen gedwongen toegang tot hun huis verschaffen, met name door een slecht gebruik van de massamedia. De kinderen moeten worden aangemoedigd zelfbeheersing en ingetogenheid hoog te schatten en te beoefenen, ordelijk te leven en persoonlijke offers te brengen in een geest van liefde voor God en edelmoedigheid jegens de naasten, zonder de gevoelens en neigingen te verstikken, maar door ze te kanaliseren in een deugdzaam leven (Vgl. Pauselijke Raad voor het Gezin, id., n. 56-58). Door het voorbeeld te volgen van Maria Goretti, zullen de jongeren «de waarde van de waarheid die de mens vrijmaakt van de verslaving aan materiële zaken» ontdekken, en zullen ze «de smaak proeven van de waarachtige schoonheid en van het goede dat het kwade overwint» (Johannes Paulus II, id.).

Heilige Maria Goretti, verkrijg voor ons van God, door de bemiddeling van de Allerheiligste Maagd en de Heilige Jozef, de bovennatuurlijke kracht die heeft gemaakt dat u de dood verkoos boven de zonde, zodat wij met vreugde, energie en vuur uw lichtend voorbeeld mogen volgen!

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques