Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
15 juni 2000
Maand van het Heilig Hart


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

«Overal in onze samenleving, in onze dorpen, onze wijken, onze fabrieken, wanneer volkeren en rassen elkaar ontmoeten, moeten wij ons versteende hart, ons verdroogde hart, veranderen in een hart van vlees dat open staat voor de medemens, open voor God. De vrede hangt hiervan af. De overleving van de mensheid hangt ervan af. Onze krachten zijn daarbij niet toereikend. Het is een gave van God. Een gave van zijn Liefde». (Johannes Paulus II, 5 oktober 1986, te Paray-le-Monial). De profeet Ezechiël had deze gave van de liefde reeds aangekondigd: Ik zal u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in u uitstorten; Ik zal het stenen hart uit uw lichaam verwijderen en u een hart van vlees geven (Ez 36, 26).

Op de drempel van de moderne tijd, is de H. Margaretha-Maria door de goddelijke Voorzienigheid uitgekozen om de gehele Kerk en de wereld te herinneren aan de mateloos grote liefde van Christus. Zij «heeft het duizelingwekkende mysterie van de liefde van God gekend. Zij heeft de gehele draagwijdte van de woorden van Ezechiël gekend: Ik zal u een hart geven. Haar hele, in Christus verborgen, leven was ze getekend door de gave van het Hart dat zich onbeperkt aanbiedt aan alle mensenharten» (Johannes Paulus II, id.).

H. Margaretha-Maria is de dochter van Philiberte Lamyn en Claude Alacoque, rechter en notaris van de koning in de Charolais, in Bourgondië. Ze hebben al drie jongens wanneer op 22 juli 1647 een meisje ter wereld komt dat bij het Doopsel, drie dagen na haar geboorte, de naam Marguerite ontvangt. Rond haar vierde of vijfde jaar verblijft Marguerite voor langere tijd bij haar peettante, mevrouw de Fautrière. Voor het eerst hoort het kind daar spreken over het aan God gewijde leven en over religieuze geloften; Marie-Bénigne de Fautrière, dochter van haar peettante, is inderdaad non in het klooster van de Visitandinnen van Sainte-Marie in Paray-le-Monial. Het meisje voelt voortdurend de drang de volgende woorden telkens opnieuw uit te spreken: «O, mijn God, ik wijd u mijn zuiverheid toe en ik doe u gelofte van eeuwige kuisheid». Op een dag spreekt ze deze formule tussen de opheffing van het brood en de opheffing van de wijn tijdens de mis uit. Deze woorden krijgen in haar ogen zo'n groot belang dat ze er twintig jaar later verslag van doet als zijnde woorden die haar leven hebben getekend. Ze is weliswaar niet ten overstaan van de Kerk een verbintenis aangegaan, maar ze heeft begrepen dat God haar geheel voor zich wil. Later zal Jezus tegen haar zeggen: «Ik heb je uitgekozen als mijn bruid, wij hebben elkaar trouw beloofd toen jij mij de gelofte van kuisheid deed, die ik jou heb ingegeven voordat de wereld in jouw hart haar deel kreeg».

Deze vroegtijdige wijding verrast ons wellicht. Maar soms bestemt Onze-Lieve-Heer sommige zielen tot uitzonderlijke werken en onthult aan hen, zelfs al heel jong, de geheimen van zijn liefde. Dat was bijvoorbeeld het geval bij de profeet Jeremias (vgl. Jr 1, 10). Dergelijke genaden wekken bij de ziel die ze ontvangt grote trouw aan God op.

Vier jaar verlamd

Marguerite wordt op school gedaan bij de Clarissen van Charolles. Overal bemerkt men haar devotie en haar liefde voor de Allerheiligste Maagd. Elke dag bidt ze de rozenkrans met een weinig alledaagse vurigheid. Maar haar schooljaren worden onderbroken door een lange ziekte die haar noodzaakt het klooster van Charolles te verlaten. Vier jaar lang ligt ze verlamd te bed. Dan belooft het kind aan Maria dat ze ooit non zal worden als ze weer beter wordt. «Ik had de gelofte nog niet gedaan of, zal Marguerite zeggen, ik ontving de genezing». Dit wonder brengt in haar hart een nieuw elan van mariale vroomheid teweeg: «De Heilige Maagd is van toen af aan de meesteres van mijn hart geworden. In haar ogen behoorde ik haar toe. Zij bestuurde me als zijnde aan haar opgedragen, verbeterde me als ik iets fout deed en leerde me Gods wil te doen».

«Toen ik weer gezond was, echter, schrijft Marguerite, dacht ik alleen nog aan het zoeken van genoegens en aan genieten van mijn vrijheid en maakte me geen zorgen over het volbrengen van mijn belofte». Aldus begint een periode van geestelijke verslapping. Haar leven wordt door geen enkele echt ernstige fout ontsierd, maar «van nature geneigd genoegens op te zoeken», geeft ze daar gevolg aan en laat zich veroveren door «de ijdelheid en de genegenheid jegens schepselen». Een zeer natuurlijke reactie op vier jaar van ziek zijn en de adolescentie die ze is ingegaan. Maar weldra laat God haar begrijpen dat zij die «op de Kruisberg is geboren, het leven dat haar is gegeven door de Heer slechts kan worden onderhouden met het voedsel van het kruis». Na het lichamelijke lijden zal ze kennis maken met het morele lijden en, om te beginnen, met beproevingen in haar familie.

Na de vroegtijdige dood van haar man, beleeft mevrouw Alacoque de wreedste ontberingen: in eindeloze materiële geschillen verwikkeld kan ze nauwelijks voor haar kinderen zorgen. Die zorg laat ze over aan de grootmoeder van vaders zijde, bijgestaan door een tante en haar schoonmoeder. Alle drie maken ze aanspraak op het alleenrecht op Marguerite en haar moeder, terwijl de andere drie kinderen op kostschool zaten. Marguerite wordt slechter behandeld dan het dienstpersoneel, dat al zo ruw werd bejegend door de verschrikkelijke vrouwen. Maar Onze-Lieve-Heer troost haar en doet haar begrijpen dat Hij haar heeft uitgekozen om zijn smartelijke lijdensweg te delen: «Ik wil in jouw ziel aanwezig zijn om je te doen handelen zoals ik heb gehandeld tijdens de wrede smarten die ik heb doorstaan uit liefde voor jou». Later zal Marguerite zeggen: «Vanaf die tijd is Jezus altijd in mijn geest aanwezig gebleven, met doornen gekroond, zijn kruis dragend of gekruisigd. Ik had dan zo'n medelijden met Hem en liefde voor zijn smarten, dat mijn verdriet licht werd en dat ik naar grotere smarten verlangde om me meer op Hem te doen gelijken». Daar voegt ze nog aan toe: «We moeten het aanbiddelijke Hart van Jezus vaak trakteren op de spijs die naar zijn smaak zo heerlijk is, ik bedoel de zo waardevolle vernederingen, de verachting en de misprijzing waarmee Hij zijn trouwste vrienden in dit ondermaanse voedt».

Hoe moeten wij deze taal die zo weinig overeenkomt met onze opvattingen en ogenschijnlijk in tegenspraak is met de legitieme zorg waarmee wij ons leed proberen te verminderen, begrijpen? Leed is niet op zichzelf een goed. Jezus heeft het echter zelf aanvaard teneinde het verheerlijkend te vervormen, er een verlossende waarde aan te geven voor al degenen die het samen met Hem uit liefde willen aanvaarden. Het leed wordt dan door Gods kracht het middel om ons na de zonde geestelijk weer te herstellen. «Waarom staat God het leed toe? vroeg men op een dag aan Moeder Teresa. – Dat is moeilijk te begrijpen: het is het mysterie van de liefde van God, daarom kunnen we zelfs niet begrijpen waarom Jezus zozeer heeft geleden, waarom Hij die eenzaamheid in Getsemani en het leed van de kruisdood moest doormaken. Het is het mysterie van zijn grote liefde. Het leed dat wij nu zien is alsof Christus opnieuw zijn Lijdensweg in ons meemaakt».

De «ijdelheden»...

Op een avond toen ze zich in haar kamer had teruggetrokken en zich ontdeed van de feestkleren en juwelen waarmee ze zich met enig welbehagen had getooid, toont Jezus zich aan haar in de staat waarin hij was na de wrede geseling: «Jouw ijdelheden zijn het die mij in deze staat hebben gebracht. Van de tijd die je verliest door je besluiteloosheid zal ik bij je dood streng rekenschap verlangen. Je verraadt me door je ontrouw. Je zou moeten sterven van schaamte om al je ondankbaarheid vergeleken met alle bewijzen van liefde die ik je heb geleverd om je naar mij toe te trekken». Marguerite is geheel ontdaan en neemt dan het besluit dubbel zoveel boete en penitentie te doen. Daar is Jezus niet tevreden mee want Hij wil dat ze non wordt, zoals ze Hem had beloofd. Na zes jaren van strijd neemt ze uiteindelijk de definitieve beslissing.

Op 26 mei 1671 begeeft ze zich naar de Visitandinnen van Sainte-Marie te Paray-le-Monial. Zodra ze de spreekkamer binnenkomt, waarschuwt een innerlijke stem haar: «Hier wil ik je hebben». Een maand later treedt ze voorgoed in. Haar eerste zorg is aan haar novicenmeesteres vragen om haar te leren bidden. De zuster antwoordt haar: «Plaatst u zich voor Onze Lieve Heer aanwezig in het tabernakel en zegt u tegen Hem dat u voor Hem wilt staan als een doek dat wacht op de schilder». De jonge postulante begrijpt het niet maar gehoorzaamt. Jezus legt haar innerlijk uit: «Dat doek dat wacht is jouw ziel. Hierop wil ik de trekken schilderen van mijn leven dat zich heeft afgespeeld in liefde en ontbering, in bezigheid en in stilte, tenslotte in de meest volledige opoffering... Ik wil je zuiveren van alle smetten die nog over zijn».

Op 25 augustus 1671, ontvangt Marguerite haar habijt en voegt aan haar naam die van Maria toe. Op 6 november 1672, spreekt ze de geloften van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid uit. Ze krijgt de functie van ziekenverzorgster op de ziekenafdeling.

Het symbool en het werktuig van de barmhartigheid

Het is 13 juni 1675. Tijdens een verschijning toont Onze-Lieve-Heer zijn Heilig Hart en onthult aan Marie-Marguerite: «Dit is het Hart dat de mensen zozeer heeft liefgehad dat zich niets heeft ontzien en, uitgeput en verteerd, van zijn liefde getuigenis heeft afgelegd». God heeft mens willen worden teneinde ons te kunnen beminnen met een mensenhart. Het uiteindelijke doel van een dergelijke liefde wordt uitgedrukt door deze woorden uit het evangelie: Zoveel immers heeft God van de wereld gehouden, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft geschonken, zodat iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven bezit (Joh 3, 16). Maar voor we tot de intimiteit van het goddelijk leven konden worden toegelaten, moest God het obstakel wegnemen dat werd gevormd door de zonde, het grootste van de kwaden die de mens aantasten. «Vanuit het geloof beschouwd, bestaat er geen groter kwaad dan de zonde en niets heeft ernstiger gevolgen voor de zondaars zelf, voor de Kerk en voor de hele wereld» (Katechismus van de Katholieke Kerk, 1488). De openbaring van de goddelijke liefde komt op een bijzondere wijze tot uiting: deze heet «barmhartigheid».

De barmhartigheid staat centraal in de boodschap die Jezus zuster Margaretha-Maria toevertrouwt. Barmhartig zijn wil zeggen een hart bezitten dat zich van droefheid vervult bij de aanblik van de ellende van de medemens als betrof het onze eigen ellende. De uitwerking van die barmhartigheid is dat de ellende van de naaste zoveel mogelijk wordt weggenomen. Zo krijgt God medelijden met de mensen wanneer hij het kwaad ziet dat de zonde in de wereld heeft gebracht. En, hoewel hij beledigd is door onze zonden, biedt Hij ons onvermoeibaar de genade van het berouw en van zijn vergeving aan.

De barmhartigheid is zijn persoonlijke kenmerk. «Zich barmhartig tonen wordt gezien als eigen aan God, en juist vooral daar vertoont zich zijn almacht», leert H. Thomas van Aquino (Summa theologica).

Het Hart van Jezus, doorboord op de Kruisberg door de lans van de soldaat, is het symbool en het werktuig van deze barmhartigheid. Er kwam bloed en water uit (Joh 19, 34), beelden van de sacramenten van de Eucharistie en het Doopsel, die de zielen zuiveren en hun de weg naar het heil openen. Het Doopsel, gesymboliseerd door het water, wast ons schoon van elke zonde. De Eucharistie, door het bloed aanschouwelijk gemaakt, verschaft ons in het Heilig Offer van de Mis de verdiensten van de Lijdensweg van Christus; zij voedt eveneens onze zielen dankzij de communie. Jezus heeft Margaretha-Maria uitgekozen om de mensen aan deze mysteries te herinneren; Hij zegt tegen haar: «Ik wil hun de schatten van mijn hart tonen en hun nieuwe genaden verlenen om ze uit de afgrond van het eeuwige vuur te trekken waarin ze zijn gestort door de doodzonden. Om dat te voltooien heb ik jou juist uitgekozen vanwege je zwakheid en je onwetendheid. Zo zal men goed zien dat alles van mij komt».

«Wat is dat verzinsel nou weer?»

De ondankbaarheid en de vergetelheid van de mensen tegenover de goddelijke barmhartigheid kwetsen het Hart van Jezus, zoals de doornenkroon die het omringde tijdens de eerste verschijning daarvan getuigt. Jezus beklaagt zich daarover bij de heilige: «Als erkentelijkheid (voor mijn liefde), ontvang ik van de meesten slechts ondankbaarheid, oneerbiedigheid, godslastering, ongenaakbaarheid en verachting». En vervolgens: «Kijk hoe de zondaars mij behandelen... Ze zijn één en al ongenaakbaarheid en afwijzend tegenover mijn bereidvaardigheid hun goed te doen... Maar doe mij tenminste het genoegen iets voor hun ondankbaarheid in de plaats te stellen... Neem deel aan de bitterheid die mijn Hart ondervindt».

Ter beantwoording van deze verwachting van de Heer, zoekt de heilige toenadering tot de mysteries van het lijden van Christus. Jezus vraagt haar zich bij Hem te voegen in de doodsstrijd in de Hof van Olijven, door iedere donderdag van elf tot twaalf uur 's nachts een «heilig uur» te houden en al biddend om vergeving te vragen voor de zondaars. Dus moet ze aan haar Overste toestemming vragen voor dit «heilig uur». Ze gaat naar haar toe... maar welk een teleurstelling! «Nee en nog eens Nee! Wat is dat verzinsel nou weer?» Zuster Margaretha-Maria onderwerpt zich. Niet lang daarna wordt ze ernstig ziek: «Vraagt u aan Onze-Lieve-Heer u te genezen. Als Hij dat doet, krijgt u mijn toestemming». Ze gehoorzaamt en hervindt haar gezondheid: deze keer begint de Overste te geloven in de buitengewone wegen via welke de Goede God deze ziel leidt. Maar om haar heiligheid op de proef te stellen, bedelft ze haar onder verwijten, orders en tegenorders en vernederingen van allerlei soort die de heilige Visitandin zwijgend en welwillend incasseert, maar niet zonder dat ze de doornen ervan voelt steken.

Op een dag schrijft Jezus haar voor haar medezusters openlijk verwijt te maken van de zonden die zij begaan in de communiteit en die Hij haar onthult. Met toestemming van haar Overste gaat ze daartoe over, meer dood dan levend. De zusters protesteren dadelijk en masse; de hoofden raken verhit, de verontwaardiging stijgt ten top. Ze wordt voor gek uitgemaakt. Ze gooien wijwater over haar heen als om de duivel te verjagen. Aldus gelijk gemaakt aan Christus in zijn lijden, zal ze later kunnen zeggen: «Nooit heb ik zo geleden».

De veelvuldige goddelijke mededelingen die zuster Margaretha-Maria ontvangt werpen haar soms in een staat van verwarring: ze vreest het speeltuig van haar verbeelding of van Satan te zijn. Maar Onze-Lieve-Heer stuurt als biechtvader van haar klooster een man gods, pater Jezuïet Claude La Colombière, die op een dag heilig zal worden verklaard. Deze stelt haar gerust: «Ik verzeker u namens God dat al wat u overkomt van Hem komt».

«Ik dorst ernaar bemind te worden...»

«Als je eens wist, zei Jezus tegen zuster Margaretha-Maria, hoezeer ik ernaar dorst door de mensen bemind te worden, daar zou je alles voor over hebben... Ik heb dorst, ik brand van verlangen om bemind te worden!» Bestaat er inderdaad iets pijnlijkers dan van iemand te houden en niet door die persoon te worden bemind? De liefde van Christus laat ons geen rust, zegt H. Paulus (2 Kor 5, 14); hij dringt er vooral opaan om liefde met liefde te beantwoorden.

Een bevoorrecht middel om uiting te geven aan onze liefde voor Jezus is door hem te eren in de Allerheiligste Eucharistie, het «Sacrament van zijn Liefde». Jezus vertrouwde onze heilige toe: «Vurig verlang ik ernaar geëerd en bemind te worden door de mensen in het Allerheiligste Sacrament en ik vind bijna niemand die zich, naar mijn verlangen, moeite geeft mijn dorst te lessen door jegens mij iets terug te doen». Onze-Lieve-Heer verlangt in het bijzonder dat de christenen hem tijdens de Heilige Communie ontvangen in de geest van eerherstel.

De ziel die voortschrijdt op de weg naar heiligheid kan niet anders dan zijn verleden onder ogen zien. Zij wil dan de verloren tijd inhalen en met een veel grotere liefde alle vroegere weigeringen of nalatigheden goedmaken. Zij constateert ook met smart dat de attenties van de goddelijke liefde jegens de mensen zeer worden miskend. Zij wil dan de onverschilligheid en de vele beledigingen compenseren met een tedere en gulle liefde jegens de Verlosser; zij wil zich ook verenigen met Christus en deelnemen aan zijn werk ter genoegdoening van de zonden en het heil der zielen, naar het voorbeeld van H. Paulus: Ik mag in mijn lichaam aanvullen wat nog ontbreekt aan de verdrukkingen van Christus, ten bate van zijn lichaam, dat is de kerk (Kol 1, 24).

Maar de devotie tot het Heilig Hart beperkt zich niet tot de geest van boetedoening en eerherstel. In de praktijk komt het wezen ervan tot uiting in de toewijding, dat wil zeggen, volgens de definitie van de heilige zelf, een volledig wegschenken van zichzelf, van al zijn daden. Christus komt dan in ons leven: «Het Heilig Hart van Jezus moet zo zeer de plaats gaan innemen van onze harten dat Hij alleen nog in ons en voor ons leeft en handelt... dat zijn genegenheid, zijn gedachten en zijn verlangens, maar vooral zijn liefde in de plaats komen van de onze». De devotie tot het Heilig Hart is ook via uiterlijke tekenen waarneembaar, bijvoorbeeld door het tentoonstellen van zijn beeltenis. Met het instellen van deze devotie heeft Onze-Lieve-Heer geen extra eisen willen toevoegen, noch onze lasten verzwaren, maar alleen ons in staat willen stellen een nieuwe uitstorting van genaden te ontvangen, overeenkomstig de belofte die Hij aan de H. Margaretha-Maria heeft gedaan (zie bijgevoegd prentje).

Alle Christenen zijn geroepen het Hart van Christus te eren, maar in het bijzonder de gewijde zielen en de gezinnen. Daarvoor ontvangen ze van het Hart een «bijzondere bescherming uit liefde en eendracht». Bij gelegenheid van zijn herderlijk bezoek aan Paray-le-Monial op 5 oktober 1986, verklaarde paus Johannes Paulus II: «Ten overstaan van het geopende Hart van Christus proberen wij uit Hem de ware liefde te putten die onze gezinnen nodig hebben. Het gezinsverband is van fundamenteel belang voor de totstandkoming van een op liefde gebaseerde samenleving». Dat de gezinnen van tegenwoordig zo vaak worden belaagd door beproeving en scheiding, zou dat niet komen doordat onze harten, in plaats van vervuld te zijn van ware liefde die zich wegschenkt, hard als steen zijn geworden door zich over te geven aan de zelfzucht? Jezus heeft zijn gewonde Hart geofferd opdat onze harten van steen zich zouden omvormen tot harten van vlees, vol van liefde jegens allen en speciale aandacht voor onze naasten.

Wegen voor nu

Toen ze aan de gehele Kerk de boodschap van de goddelijke barmhartigheid had doorgegeven, had zuster Margaretha-Maria haar taak op dit ondermaanse volbracht. Op 17 oktober 1690 sterft ze tijdens het uitspreken van dit ene woord: «Jezus». Tegen het einde van haar leven schreef ze aan haar geestelijk leidsman: «Het komt me voor dat ik nooit rust zal kennen daar ik mezelf slechts zie in afgronden van vernedering en leed, bij iedereen onbekend en begraven in eeuwige vergetelheid». Indien Onze-Lieve-Heer de vertrouwelinge van zijn Hart tot een dergelijke nederigheid heeft gebracht, is dat om haar te doen deelhebben in zijn heerlijkheid, want: Wie zich verheft, zal vernederd worden (Mt 23, 12). Zuster Margaretha-Maria die zo klein was in haar eigen ogen, wordt vandaag door de Kerk ten overstaan van de wereld heilig verklaard. Overal vandaan komen gelovigen bidden bij haar stoffelijke resten en smeken haar voorspraak af. Paray-le-Monial is het middelpunt van een innig geestelijk leven geworden.

Paus Johannes Paulus II resumeerde de boodschap van Paray-le-Monial, in een boodschap aan de Eerwaarde Kolvenbach, Generaal van de Sociëteit van Jezus, op 5 oktober 1986, als volgt: «De overvloedige geestelijke vruchten die de devotie tot het Hart van Jezus heeft voortgebracht worden ruimschoots erkend. Zij uit zich met name in de praktijk van het heilige uur, de biecht en de communie op iedere eerste vrijdag van de maand en heeft er aldus toe bijgedragen dat hele generaties christenen zijn aangespoord meer te bidden en veelvuldiger deel te nemen aan de sacramenten van boete en eucharistie. Het is wenselijk de gelovigen deze wegen, ook vandaag nog, voor te houden».

Op dit feest van het Heilig Hart van Jezus beantwoorden wij de oproep, van één en al goedheid, van onze Heiland: Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en Ik zal u rust en verlichting schenken. Neemt mijn juk op uw schouders en leert van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen (Mt 11, 28-29). «Wat is er aanlokkelijker voor ons, geliefde broeders, dan deze stem van de Heer, die ons uitnodigt? Zie, in zijn goedheid toont de Heer ons de weg ten leven» (H. Benedictus, Regel, Proloog). Dat wij Hem mogen volgen op deze weg waarop onnoembare schatten aan genaden zijn bereid voor onze zielen! Vertrouwend op de oneindige barmhartigheid van het Hart van Jezus, bevelen wij Hem uw personen, gezinnen, overledenen en al uw intenties aan.

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques