Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


[Cette lettre en français]
[Aquesta carta en català]
[Questa lettera in italiano]
1 maart 2000
Maand van de H. Jozef


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

«Er bestaat geen groter ongeluk dan te leven en te sterven zonder God te kennen», was een geliefde en vaak herhaalde uitspraak van de heilige Claudine Thévenet die zich geheel en al op God had verlaten, zoals Paus Johannes Paulus II opmerkte bij de zaligverklaring van die non uit Lyon: «Claudine die van haar religieuze leven een «Erezang» voor de Heer heeft gemaakt, in navolging van de H. Maria die zij bijzonder vereerde, laat de christenen opnieuw weten dat het de moeite waard is zich geheel en al op God te verlaten. Tegenover de mannen en vrouwen die door de Heer zijn uitgenodigd zich aan Hem toe te wijden en meer in het bijzonder Hem te dienen, bevestigt ze dat men zijn leven moet weten te verliezen (vgl. Mt 16,25) opdat anderen God kunnen liefhebben en kennen; zij bevestigt ook door haar voorbeeld dat heiligheid de mooiste bekroning van een geslaagd leven is» (4 oktober 1981. Vervolgens is Claudine Thévenet heiligverklaard op 21 maart 1993).

Het viooltje

Claudine Thévenet, geboren te Lyon op 30 maart 1774 wordt reeds de volgende dag gedoopt in de Saint-Nizierkerk. Ze is tweede in een gezin van zeven kinderen en krijgt de bijnaam Glady. De eerste twaalf jaren van haar leven verlopen vredig binnen het gezin, waarin het christelijk geloof stevig is verankerd. Van haar vader, Philibert Thévenet, winkelier, leert Claudine naastenliefde jegens de zwakken en armen. Van haar moeder erft ze de christelijke dapperheid. Glady, die ook wel «viooltje» wordt genoemd, draagt als kind haar steentje bij in de zorg voor het huishouden. Op negenjarige leeftijd wordt ze door haar ouders aan de Benedictinessen van de Abdij Saint-Pierre, Place des Terreaux, toevertrouwd. Ze ontvangt een gedegen intellectuele en geestelijke vorming en tevens wordt haar enig begrip van naaien, borduren enz. bijgebracht, maar vooral krijgt ze een grote liefde ingeprent voor orde en netheid in alle dingen. Overhaast keert Claudine in het gezin terug wanneer het revolutionaire onweer van 1789 losbarst.

De stad Lyon heeft vreselijk te lijden van het Schrikbewind. Als reactie breekt op 29 mei 1793 een opstand uit tegen de regering van Parijs, waarbij de stad na 24 uur van gevechten wordt overmeesterd door de opstandelingen. Uit voorzorg brengt meneer Thévenet zijn jongste kinderen naar een van zijn zusters in Belley. Uit Parijs worden troepen gestuurd die op 9 augustus de stad Lyon bezetten. Meneer Thévenet kan niet meer naar huis terug.

De twee oudste broers van Claudine, Louis-Antoine (20 jaar) en François-Marie (18 jaar) stellen zich onder het bevel van gereraal de Précy, aan de zijde van de belegeraars. Voortdurend gebombardeerd en op de knieën gedwongen door hongersnood, capituleert Lyon twee maanden later. Claudine is alleen met haar moeder wier drievoudige vrees ze deelt: de vader en de vier jongste kinderen waarover ze in onzekerheid verkeren; het lot van haar oom van moeders zijde, Louis Guyot, die is achtergebleven in de door revolutionaire legers bezet gebied en ook nog de twee broers die blootstaan aan de gevaren van het strijdgewoel. In deze pijnlijke situatie stelt ze al haar vertrouwen in God en doet ze haar best haar kalmte te bewaren.

De revolutionaire regering van Parijs heeft strenge onderdrukking ter afschrikking verordend. Elke dag worden er honderden veroordeelden gefusilleerd op de braakliggende terreinen van Brotteaux. Onveiligheid en angst heersen alom. Mevrouw Thévenets verdriet wordt evenwel verzacht door de terugkeer van Philibert, haar echtgenoot. Deze stelt alles in het werk om te pogen zijn zonen vrij te krijgen, maar die koesteren geen illusies.

«Vergeef zoals wij vergeven!»

Dag na dag slaat het jonge meisje angstvallig de stoet van veroordeelden gade. Op de ochtend van 5 januari 1794 beziet ze het gewoonlijk droeve defilé. Plotseling krimpt haar hart ineen: Louis en François! Zojuist kruisten haar blik en die van haar samengeketende broers elkaar! Alles in haar sidderde van afschuw. Maar we moeten de dingen tot het eind toe volbrengen, zoals de H. Maagd die haar Zoon naar de Kruisberg begeleidde. Moeizaam weet ze dicht bij hen te komen. Louis waagt het de dienstknecht die Claudine begeleidt een wenk te geven en zegt met gedempte stem tegen hem: «Buk je en pak uit mijn schoen een brief voor mijn moeder». Daarna zegt hij tegen zijn zus: «Jij, Glady, vergeef zoals wij vergeven!» Ze herinnert zich dan de eerste woorden van Jezus aan het kruis: Vader vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen! (Lc 23, 34).

Daarop volgt de fusillering. Claudine is zo moedig zich een weg te banen tot naast de slachtoffers. Haar aandacht wordt gevestigd op een onheilspellend geluid: met sabelslagen worden de overlevenden onder wie ze Louis en François herkent, afgemaakt. Dat is teveel voor haar zenuwen: haar hele leven zal ze er een vatbaarheid voor migraine aan over houden.

Nu moet ze weer terug naar de haren. In haar van emotie nog gevoelloze hand houdt ze de kostbare brief gedrukt. Dit afscheidswoord, roerend getuigenis van vurig geloof en vergeving, schenkt haar troost. De twee broers hebben ieder een brief geschreven en elke brief is door beiden getekend. «Wij zullen gelukkiger zijn dan jullie: over vier of vijf uur zullen we voor God staan... We gaan Gods rijk binnen, het rijk van de goede Vader die we hebben beledigd, maar al onze hoop is gericht op zijn barmhartigheid.» Ze hebben alle twee kunnen biechten bij een oude, gebrekkige priester die samen met hen was gevangen en veroordeeld.

Een nieuwe kracht

Claudines verantwoordelijkheidsgevoel jegens haar ouders wordt door het lezen van dit «testament» wel aangewakkerd. Ze helpt hen over deze beproeving, voorafgegaan door een andere tragedie, namelijk de dood door fusillering van Louis Guyot, broer van mevrouw Thévenet, heen te komen. De verheven aanbeveling van de beide broers klinkt voortdurend na in Glady's oren: «Vergeef zoals wij vergeven». Wanneer de rust in Lyon eenmaal is weergekeerd, zal de aanbrenger van de beide jonge lieden niet door de familie Thévenet voor het gerecht worden aangeklaagd.

Deze nobele houding is ingegeven door de leer van Onze Heer. «Het onderricht van Christus vraagt zelfs de beledigingen te vergeven. Het gebod van de liefde, het gebod van de nieuwe wet, strekt zich ook uit tot alle vijanden (vgl. Mt 5, 43-44)» (KKK, 1933). De bevrijding door de evangelische geest is onverenigbaar met de haat jegens de vijand als persoon, maar niet met het haten van het kwaad dat hij als vijand doet.

Na mondeling de vergeving van de beledigingen te hebben onderwezen, gaf Jezus er een uitstekend voorbeeld van: Toen ze op het zogeheten Schedelveld kwamen, sloegen ze Hem daar aan het kruis, en ook die twee misdadigers, de een rechts en de ander links van Hem. Jezus sprak: «Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen» (Lc 23, 33-34). «Jezus vraagt met het hart van een mens dat de Vader vergeve, luidt het commentaar van kardinaal Journet: wij moeten met ons mensenhart vragen dat de Vader vergeve. Tegen de haat en de lage instincten, roept hij op tot hemelse edelmoedigheid: we moeten met Hem blijven roepen om edelmoedigheid uit den hoge tegen de haat, de dwaasheid en de misdaden van de aarde. Een nieuwe kracht sterker dan het kwaad van de wereld komt met Hem in de wereld om die niet meer te verlaten. De oude heerschappij van het geweld stoot op een andere, op een nieuw koninkrijk... Voortaan is er iets veranderd in de tijd» (De zeven uitspraken van Christus aan het kruis, uitg. du Seuil 1952). Het nieuwe koninkrijk is dat van de liefde: «De vergeving getuigt dat in onze wereld de liefde sterker is dan de zonde. De martelaren van gisteren en van vandaag, leggen dit getuigenis af van Jezus» (KKK, 2844).

Terwijl vergeving weigeren maakt dat ons hart zich sluit en ondoordringbaar wordt voor de barmhartige liefde van de Vader, opent daarentegen vergeving ons hart voor de genade. Zo maakt de heldhaftig te boven gekomen beproeving Claudine juist geneigd tot grote compassie met de noden van haar medemensen, in plaats van agressiviteit en bitterheid in haar op te wekken. Geleidelijk ontwikkelt zich bij haar een dubbel gevoel: het verlangen de zeer persoonlijke kennis die ze bezit van de goedheid van Christus aan anderen mee te delen en de angst bij de gedachte aan het grote ongeluk waarin zij die God niet kennen verkeren.

Van God vergeten

Gedurende tien jaar na de tragische dood van haar broers geeft Glady zich over aan het beoefenen van daadwerkelijke en discrete naastenliefde. Claudine huivert bij de gedachte aan het lot van duizenden arme kinderen, aan wie het goede van deze wereld is onthouden en die wellicht opgroeien zonder ooit iemand de naam van de Goede God te horen uitspreken. Dat men God is vergeten, is naar haar steeds stelliger overtuiging, een van de voornaamste oorzaken van de uitwassen van de Revolutie. Ze zoekt haar eerste en voornaamste toevlucht in het gebed. Ze treedt toe tot de Broederschap van het Heilig Hart waarbij de eucharistische aanbidding in hoog aanzien staat. Andere meisjes met hetzelfde ideaal wint ze voor zich. Na het afleggen van hun bezoeken aan de arme mensen, komen ze van tijd tot tijd bij elkaar en wisselen de ervaringen uit die ze binnen hun apostolaat hebben opgedaan.

Dan komt de winter van 1815. Een jonge priester merkt in het voorbijgaan van de Saint-Nizierkerk een schaduw in het voorportaal op; hij hoort onderdrukt gesnik. Twee in lompen gehulde kleine meisjes, bibberend en stervend van honger, proberen bescherming te vinden tegen de snijdende kou. De priester raadt dat de kleintjes in de steek zijn gelaten. Hij brengt ze naar de pastoor van de parochie die meteen een oplossing weet: «Klop maar aan in de rue Masson, bij Mademoiselle Claudine Thévenet. Zij heeft een hart van goud en is de spil van alle goede werken in de parochie». Claudine is tot tranen geroerd, kleedt en verzorgt de twee kinderen en gaat vervolgens naar een van haar vriendinnen, Marie Chirat. Er wordt snel beslist: de kleintjes zullen logeren bij Marie, die voor hen een van de twee verdiepingen van haar huis vrijmaakt. Enkele dagen later worden er vijf andere pensiongasten verwelkomd. Het gastenverblijf van Mademoiselle Chirat wordt «De Voorzienigheid van het Heilig Hart» en Claudine vervult de functie van directrice.

Maar daar blijft het niet bij. Vader Coindre, geestelijk raadsman van Claudine, suggereert het huis duurzaam te organiseren compleet met een nauwkeurig en aan de eisen beantwoordend reglement. Zijn voorstel is gebaseerd op de Regel van de H. Augustinus en de Constituties van de H. Ignatius van Loyola. De verenigingsleden van het apostolisch leven zullen aan diens geest van innerlijkheid een voorbeeld nemen. Op 31 juli 1816, op de feestdag van de H. Ignatius, wordt de «Vrome Unie van het H. Hart van Jezus» opgericht. Claudine wordt er de eerste gekozen voorzitter van. Even wordt ze door verwarring overmand, maar dan, wanneer ze zich een ogenblik in stilte heeft bezonnen, aanvaardt ze, in navolging van de Allerheiligste Maagd Maria tegenover de Engel des Heren, haar uitverkiezing.

De kleine vereniging heeft een verrassende doch discrete uitstraling. Er wordt een tweede «Voorzienigheid» geopend, met een atelier voor de vervaardiging van zijden stoffen. De «Vrome Unie» komt tot ontwikkeling: twee jaar na de oprichting hebben zich zestien nieuwe leden aangesloten. Intussen vergaat het de eerste «Voorzienigheid van het H. Hart», ten huize van Mademoiselle Chirat, ook voorspoedig. Claudine en haar gezellinnen kunnen zich er weldra niet meer aan wijden. Het werk wordt dan toevertrouwd aan de zusters van Saint-Joseph.

Een dwaze onderneming

Terwijl Claudine zich met één en al ijver inzet voor de apostolische werken, woont ze nog steeds bij haar moeder. Haar beproefde moeder vreest dat de Heer op een dag Glady bij haar zal wegnemen wanneer ze zal worden geroepen tot het religieuze leven. Zij is er zich inderdaad van bewust dat ze van God een speciale roeping heeft ontvangen. Een smartelijk uur heeft geslagen: fijngevoelig bereidt Claudine haar moeder voor op de scheiding. Op 5 oktober 1818, vestigt ze zich definitief in de «Voorzienigheid». Deze eerste nacht buiten het ouderlijk huis is een van de verschrikkelijkste die Claudine heeft meegemaakt: «Het kwam me voor, zal ze later zeggen, of ik me in een dwaze en pretentieuze onderneming had gestort, met geen enkele zekerheid van welslagen, maar die, integendeel, alles wel beschouwd, op niets zou moeten uitlopen». Ze vindt steun in haar grote liefde tot God en in haar innig geloof. De Heer zal mevrouw Thévenet twee jaar later tot zich roepen, daarbij Claudine opnieuw in smart onderdompelend, maar haar tegelijkertijd weer in het bezit stellend van een volledige vrijheid van handelen. Het atelier voor de vervaardiging van zijde loopt goed en verlicht de financiële noden van de «Voorzienigheid». Om te kunnen uitbreiden is het echter nodig dat ze verhuizen naar een grotere ruimte op de Fourvière-heuvel in Lyon, tegenover de oude, aan de Heilige Maagd gewijde kerk. Het apostolaat breidt zich weldra uit: Claudine constateert dat de meisjes uit de welgestelde gezinnen niet meer bevoordeeld zijn op godsdienstig gebied dan die uit de arme gezinnen. Dus opent ze een pensionaat voor deze jonge meisjes. Daarvoor moet een nieuw onderkomen worden gebouwd en een aanzienlijke som geld worden geleend. De persoon op wier geldelijke steun ze had gerekend, laat haar echter op het laatste ogenblik in de steek. In haar gebeden geeft ze zich volledig over aan God die niet zal weigeren haar te hulp te komen. Beetje bij beetje worden alle schulden inderdaad vereffend.

De kleine gemeenschap ontmoet niet altijd alleen maar welwillendheid. Kwatongen leveren kritiek op deze onderneming en proberen de Overste belachelijk te maken. Wanneer ze over straat gaan, zijn de meisjes en hun onderwijzeressen blootgesteld aan grapjes van twijfelachtig allooi die soms grenzen aan grove belediging en geweld. Claudine, die weet hoe waardevol vergeving is, geeft als aanbeveling «de grove beledigingen met geduld te ondergaan en ze te beantwoorden met zachtaardige en minzame woorden». Zij is er diep van overtuigd dat «de zorg van de goddelijke Voorzienigheid concreet en onmiddellijk is, dat zij voor alles zorgt, van de kleinste dingen tot de grote gebeurtenissen in de wereld en van de geschiedenis» (KKK, 303). Jezus heeft inderdaad een kinderlijke overgave aan de voorzienigheid van de hemelse Vader gevraagd: Maakt u dus geen zorgen over de vraag: wat zullen wij eten of wat zullen wij drinken? (...) Uw hemelse Vader weet wel dat gij al deze dingen nodig hebt. Maar zoekt eerst het koninkrijk en zijn gerechtigheid: dan zal dat alles u erbij gegeven worden (Mt 6, 31-33).

Het goede halen uit het kwade

Maar als God de Almachtige Vader, Schepper van de wereld, zorg draagt voor al zijn schepselen, waarom bestaat het kwaad dan? Het kwaad komt niet van God. Van oorsprong is de mens goed geschapen en is hij uitgenodigd om met God een vertrouwelijke band aan te gaan dankzij de deugd van een wonderbare genade. Deze genade had haar uitstraling tot in alle aspecten van het leven: zolang hij in de goddelijke intimiteit verbleef, zou de mens niet sterven, noch lijden. Maar, bekoord door de duivel, is hij ongehoorzaam geweest aan Gods gebod en is aldus de staat van genade kwijt geraakt. De harmonie waarin de mens was opgenomen bestaat niet meer. De zichtbare schepping is de mens vreemd en vijandig geworden. De dood doet haar intrede in de geschiedenis van de mensheid. Sedert deze eerste zonde, is de wereld overspoeld door een ware «invasie» van de zonde en van het kwaad. Maar na zijn val, is de mens niet door God in de steek gelaten. Christus heeft door zijn dood aan het kruis en zijn verrijzenis de macht van de duivel gebroken en de mens bevrijd. Deze kan voortaan door het lijden en de dood, die heilsmiddelen zijn geworden, tot de hemelse gelukzaligheid geraken. «De onuitsprekelijke genade van Christus heeft ons grotere weldaden geschonken dan ons door de afgunst van de duivel waren ontnomen», zegt de H. Leon de Grote. Waar de zonde heeft gewoekerd, werd de genade mateloos (Rom 5, 20).

De H. Augustinus heeft dan ook kunnen stellen: «Immers, aangezien de almachtige God (...) oneindig goed is, zou Hij op geen enkele manier enig kwaad in zijn werken laten voortbestaan, als Hij niet zo almachtig en goed was om ook uit het kwade het goede te laten ontstaan.» (vgl. KKK, 311). Het kwaad wordt daardoor nog geen goed. God heeft in feite «uit het grootste morele kwaad dat ooit is bedreven, het afwijzen en het vermoorden van de Zoon van God, veroorzaakt door de zonden van alle mensen, door de overvloed van zijn genade het allergrootste goed laten voortkomen: de verheerlijking van Christus en onze verlossing.» (KKK, 312). De mysterieuze wegen van de Voorzienigheid zullen we pas ten volle kennen in de hemel wanneer we God van aangezicht tot aangezicht zullen zien, maar nu reeds weten we met zekerheid dat voor wie God liefhebben, alles zich ten goede keert (Rom 8, 28). Het getuigenis van de heiligen is een niet aflatend bewijs hiervan. «Alles komt voort uit de liefde, zegt de H. Catharina van Siëna, alles is besloten tot het heil van de mens, God doet alles slechts met dit doel» (vgl. KKK, 313).

«Niemand leed aandoen»

Zonder er speciaal op zoek naar te zijn, heeft Claudine Thévenet een Congregatie gesticht. De innerlijke gesteldheid die ze bij haar zusters probeert op te wekken is die van «elke daad te stellen vanuit een geloofsbeginsel en met het doel God te behagen». Zij en haar gezellinnen nemen tegelijk met het habijt een nieuwe naam aan: Claudine zal voortaan Moeder Maria Sint-Ignatius heten. In 1822 wordt de eerwaarde Coindre overgeplaatst naar Monistrol, in het diocees van de Puy. Op zijn verzoek stuurt Moeder Maria Sint-Ignatius er een paar zusters heen en de bisschop van de Puy geeft zijn goedkeuring en stelt hun Congregatie in onder de naam «Congregatie van het H. Hart».

Moeder Maria Sint-Ignatius zal nog talloze malen worden beproefd: het overlijden van eerwaarde Coindre in 1826; de voortijdige dood van twee zusters van wie ze veel verwachtte; de ernstige ziekte die haar leven in gevaar brengt; de dreiging van fusie van haar Congregatie met de Vrouwen van het H. Hart van H. Madeleine-Sophie Barat; de revolutie van 1830 met haar dramatisch strijdgewoel op de heuvel van Fourvière en tot in haar Huis toe, enz. Al deze beproevingen zijn harde klappen voor de Stichteres die echter krachtdadig en kalm blijft en haar zusters graag en meer dan eens voorhoudt: «Laat de naastenliefde zijn als uw oogappel», als ook: «Weest bereid ieder leed dat anderen u aandoen te verdragen en zelf niemand leed aan te doen».

In februari 1836, wordt de eerwaarde Pousset benoemd tot aalmoezenier van de zusters. Weldra wordt Moeder Maria Sint-Ignatius, die op hem rekent om haar te helpen van Rome de goedkeuring van haar Congregatie te verkrijgen, teleurgesteld. De priester kan de spiritualiteit van de H. Ignatius waaruit de zusters hun inspiratie putten niet uitstaan. Bovendien gaat hij buiten zijn boekje, ondanks zijn kwaliteiten van redenaar, ijveraar, man van orde en goede smaak op het gebied van de liturgie. Moeder Overste ziet zich in gemoede genoodzaakt hem nederig maar ferm het hoofd te bieden. Zij kan onmogelijk toelaten dat de eerwaarde zich opwerpt als absoluut heerser die de levensstijl en de geest die God voor de Congregatie heeft gewild naar eigen goeddunken wil veranderen. Er doen zich vele pijnlijke scènes voor. De gezondheid van Moeder Maria Sint-Ignatius gaat in de loop der maanden achteruit.

«Wat is de goede God goed!»

Op 29 januari 1837 ontvangt ze de laatste sacramenten in aanwezigheid van de hele gemeenschap. De eerwaarde Pousset richt dan publiekelijk een bijtende berisping aan haar adres: «U hebt genade ontvangen om een heel koninkrijk te bekeren: wat hebt u ermee gedaan? U staat de vooruitgang van uw Congregatie in de weg. Wat zult u God antwoorden wanneer Hij u van alles rekenschap zal vragen?» Moeder Maria Sint-Ignatius' gezicht blijft onbewogen. Ze zal enkele zusters echter bekennen dat ze bij het horen van die woorden bijna in snikken was uitgebarsten. Maar haar barmhartige hart weet een laatste keer vergeving te schenken. Dezelfde dag wordt ze met verlamming geslagen en begint haar doodsstrijd, kan geen zin meer uitbrengen behalve deze: «Wat is de goede God goed!» Twee dagen later geeft ze de geest.

De in de aarde opgenomen graankorrel, nederig en aan Christus gelijkvormig, heeft veel vrucht gedragen. De religieuze familie van Claudine Thévenet is de «Congregatie van de Zusters van Jezus-Maria» geworden en telt tegenwoordig meer dan tweeduizend zusters en huizen in de vijf werelddelen.

Heilige Maria Sint-Ignatius, help ons uw voorbeeld van nederigheid, vergevingsgezindheid en overgave aan God te volgen. Aan uw bemiddeling vertrouwen we alle vrienden, levende en overledene, van de abdij Saint-Joseph de Clairval toe.

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2017 Traditions Monastiques